ECLI:NL:CRVB:2007:BB7216

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6348 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante werkte sinds 1995 parttime bij een varenkwekerij en werd in 1998 arbeidsongeschikt verklaard vanwege pijnklachten die later als fibromyalgie werden gediagnosticeerd. Na de wettelijke wachttijd kreeg zij een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In 2004 trok het UWV de uitkering in omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. De Raad concludeert dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld door de verzekeringsartsen, ondanks het ontbreken van objectieve afwijkingen.

Appellante leverde geen nieuwe medische informatie aan die aanleiding gaf tot twijfel aan de beoordeling. Haar eigen niet-onderbouwde mening over haar gezondheid werd niet gevolgd. De Raad oordeelt dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

05/6348 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 september 2005, 04/3137 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
Appellante werkte sinds 1995 als medewerkster bij een varenkwekerij, gedurende 20 uur per week. Op 18 maart 1998 werd zij arbeidsongeschikt vanwege pijnklachten aan haar rug, nek, armen en schouder, welke later door haar behandelend reumatoloog als fibromyalgie zijn gediagnostiseerd.
Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 7 juni 2004 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 4 augustus 2004 ingetrokken, op de grond dat appellante per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op de datum in geding weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv ondanks het ontbreken van te objectiveren afwijkingen toch enige beperkingen op het energetische vlak aangenomen hebben en op basis hiervan de belastbaarheid van appellante op en na 4 augustus 2004 hebben bepaald.
Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overlegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake haar belastbaarheid op de datum in geding.
Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien. Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, heeft de Raad tenslotte ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante ten tijde hier van belang niet in staat was tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
MR