ECLI:NL:CRVB:2007:BB7242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering voor niet-levensvatbaar bedrijf volgens Bbz 2004
Appellant vroeg bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) om een bedrijf te starten als exporteur van zaden. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op basis van een advies van het LTC, dat het bedrijf niet levensvatbaar achtte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn onderneming wel levensvatbaar was, onderbouwd met brieven van potentiële afnemers. De Raad oordeelde echter dat deze correspondentie onvoldoende bewijs leverde van concrete omzet of een levensvatbare bedrijfsvoering.
De Raad bevestigde dat het College terecht op het deskundige advies van het LTC mocht vertrouwen, ook al berustte dat advies deels op onjuiste feitelijke gegevens die de conclusie niet aantasten. Zonder objectieve tegenbewijs faalde appellant in het weerleggen van het oordeel dat het bedrijf niet levensvatbaar is. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf wordt bevestigd.