ECLI:NL:CRVB:2007:BB7254
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over terugvordering onverschuldigde bijstandsuitkering en verjaring
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het College van Burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin onverschuldigd betaalde bijstandsuitkeringen over verschillende perioden werden teruggevorderd. De rechtbank had het beroep tegen het eerste besluit ongegrond verklaard en het beroep tegen het tweede besluit gegrond verklaard, waarbij het tweede besluit werd vernietigd. Appellante voerde onder meer verjaring aan als verweer tegen de terugvordering en stelde dat de redelijke termijn was overschreden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder het beroep op verjaring en schending van de redelijke termijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verjaringstermijnen correct waren toegepast volgens de geldende wettelijke bepalingen, waaronder artikel 3:309 BW Pro en artikel 70 Abw Pro (oud). De Raad verwierp het verjaringsverweer en sloot zich aan bij de motivering van de rechtbank.
Ook het beroep op schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro werd verworpen. De Raad zag geen aanleiding om de eerdere uitspraak anders te motiveren of te wijzigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering niet is verjaard en wijst het beroep op schending van de redelijke termijn af.