ECLI:NL:CRVB:2007:BB7576

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6661 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:73 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkeringsgeschil

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV inzake de vaststelling van zijn WAO-uitkering. De rechtbank Haarlem had het beroep ongegrond verklaard. Het UWV gaf vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar af, waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant met ingang van 7 december 2003 onveranderd werd vastgesteld op 80 tot 100%.

Hierdoor kon het bestreden besluit worden geacht te zijn ingetrokken, waardoor er geen inhoudelijk geschil meer bestond. De Raad oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant voor zowel de behandeling van het beroep als het hoger beroep. De Raad sloot het onderzoek zonder zitting en gaf hiermee een definitieve uitspraak in deze bestuursrechtelijke zaak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

05/6661 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 september 2005, 05/1346
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 9 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.P.L. Pinkster, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 augustus 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 9 januari 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van
7 december 2003 onveranderd wordt vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35.
Het namens appellant tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
4 maart 2005 (hierna: het betreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In vervolg op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2006 heeft het Uwv op 27 juli 2006 een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven waarin is bepaald dat appellant met ingang van 1 oktober 2002 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
Met het nadere besluit van 15 augustus 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt inzake de vaststelling van de WAO-uitkering met ingang van 7 december 2003 niet langer te handhaven. Ten gevolge hiervan wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant met ingang van 7 december 2003 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100. Hierdoor kan het bestreden besluit geacht worden te zijn ingetrokken.
Uit ’s-Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb.
De Raad stelt vast dat namens appellant een dergelijk verzoek niet is gedaan.
Zoals ook namens appellant is bericht komt het besluit van het Uwv van
15 augustus 2007 geheel tegemoet aan het hoger beroep van appellant, zodat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
Nu er tussen partijen thans geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.
Namens appellante is bij schrijven van 12 september 2007 verzocht om het Uwv te veroordelen in de kosten van het geding.
Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De kosten in bezwaar worden op grond van het besluit op bezwaar van
15 augustus 2007 vergoed.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) S. Sweep.
JL