ECLI:NL:CRVB:2007:BB7580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.M.T. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid niet terecht
Appellant was sinds 1990 werkzaam bij de gemeente Delft en werd in 2003 ontslagen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie. Het UWV weigerde hem een WW-uitkering omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, stellende dat appellant zich verwijtbaar had gedragen door onvoldoende inzet en medewerking, waardoor de arbeidsrelatie was verstoord.
In hoger beroep bestreed appellant dit oordeel en stelde dat hij bereid was te werken en na arbeidsongeschiktheid contact had gezocht met de werkgever. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het enkel vaststaan van onbekwaamheid geen grond is voor verwijtbare werkloosheid. Tevens vond de Raad onvoldoende bewijs dat appellant zich verwijtbaar had gedragen tijdens het traject van re-integratie en tijdelijke plaatsing bij de veegdienst.
De Raad concludeerde dat het UWV ten onrechte de WW-uitkering heeft geweigerd en vernietigde het bestreden besluit. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en tevens het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in bezwaar betrekken.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.