ECLI:NL:CRVB:2007:BB7925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voltijds secretaresse, viel in 1990 uit wegens psychische klachten en kreeg vanaf 1991 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2004 trok het UWV deze uitkering in omdat uit een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek bleek dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
Het UWV baseerde het besluit op een rapport van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige die met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem geschikte functies selecteerden. Appellante maakte bezwaar, waarbij aanvullende medische informatie werd ingebracht en de geschiktheid van de functies werd betwist, onder meer vanwege conflicthantering en frequent verzuim.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbeleid wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet voltijds kan werken en dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn. De Raad oordeelde dat het UWV deze stellingen voldoende had weerlegd, dat de medische en arbeidskundige onderbouwing zorgvuldig en gemotiveerd was en dat de aangevallen uitspraak bevestigd kon worden.
De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en concludeerde dat het oordeel van de verzekeringsarts, mede gebaseerd op informatie van de huisarts, longarts en dermatoloog, juist was. De brief van de longarts bevestigde de beperkingen, zonder twijfel te zaaien over de geschiktheid voor de functies. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.