ECLI:NL:CRVB:2007:BB8518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking WAO-uitkering en weigering ziekengeld bij epilepsie
Appellant, werkzaam als administratief medewerker, meldde zich ziek vanwege epileptische aanvallen. Na onderzoek werd hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Bij herbeoordeling concludeerde het UWV dat appellant weer in staat was zijn eigen werk te verrichten en trok de WAO-uitkering in. Het bezwaar en beroep van appellant tegen deze intrekking werden ongegrond verklaard.
Appellant voerde aan dat de frequentie van zijn epileptische aanvallen en de daarmee gepaard gaande recuperatietijd een hoger verzuimpercentage veroorzaakten dan door het UWV aangenomen, waardoor hij niet in staat zou zijn te werken. Het UWV wees echter op het ontbreken van objectief medisch bewijs en stelde dat het verzuim niet excessief was.
Ten aanzien van de weigering van ziekengeld op drie data in 2005 oordeelde de Raad dat het UWV niet met de vereiste zorgvuldigheid had gehandeld, omdat appellant pas na de derde ziekmelding door een verzekeringsarts was beoordeeld en onvoldoende was vastgesteld of hij op die data geschikt was voor arbeid. De besluiten tot weigering van ziekengeld werden vernietigd en het UWV werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De Raad bevestigde het oordeel dat appellant medisch gezien geschikt was voor zijn administratieve werk en dat het verzuimrisico van circa 20% niet zodanig excessief was dat van een werkgever niet redelijkerwijs kon worden verlangd appellant in dienst te nemen.
Uitkomst: Intrekking WAO-uitkering bevestigd; weigering ziekengeld vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid.