ECLI:NL:CRVB:2007:BB8519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV om WAO-aanvraag buiten behandeling te laten
Appellant, voormalig internationaal vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV besloot de aanvraag niet te behandelen omdat appellant geen volledig re-integratieverslag had ingediend en niet binnen de hersteltermijn de ontbrekende stukken aanleverde. Appellant verzocht later alsnog om medewerking aan een medisch onderzoek, dat door het UWV werd uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek handhaafde het UWV het besluit de aanvraag buiten behandeling te laten.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat het verzoek van appellant een herzieningsverzoek was zonder nieuwe feiten, en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant met zijn verzoek een nieuwe WAO-aanvraag indiende. Het UWV was volgens de Raad niet bevoegd het besluit op grond van artikel 4:5 Awb Pro buiten behandeling te laten omdat de wettelijke termijn van vier weken voor het nemen van een dergelijk besluit was verstreken.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit van 26 november 2004 en bepaalde dat het UWV op de aanvraag moet beslissen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en vergoedingen aan appellant. Hiermee werd het belang van een inhoudelijke beoordeling van WAO-aanvragen onderstreept en werd het UWV teruggefloten in haar bevoegdheid om aanvragen buiten behandeling te laten zonder tijdige besluitvorming.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van het UWV en bepaalt dat de WAO-aanvraag inhoudelijk moet worden behandeld.