ECLI:NL:CRVB:2007:BB8595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op kinderbijslag bij twijfel over ingezetenschap in Nederland
Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht had op kinderbijslag omdat hij beschikte over een permanente verblijfsvergunning en een economische binding met Nederland door zijn AOW-uitkering. Tevens voerde hij aan dat hij de helft van het jaar in Nederland verbleef en sociale contacten had.
De rechtbank Maastricht had echter geoordeeld dat appellant op de peildatum, 1 april 2005, niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. Hoewel er een juridische binding was door de verblijfsvergunning en een zekere economische binding door de AOW-uitkering, was de sociale binding onvoldoende. Appellant verbleef het grootste deel van de tijd in Marokko bij zijn gezin, had geen familie in Nederland met wie hij regelmatig contact had en beperkte sociale contacten.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad benadrukte dat de feitelijke gegevens, zoals paspoortstempels en verblijfplaats van familie, erop wijzen dat appellant het merendeel van de tijd in Marokko verbleef. Zijn verblijf in Nederland was incidenteel en niet van voldoende duur en intensiteit om het middelpunt van zijn bestaan hier te situeren.
De Raad wees ook op het ontbreken van een eigen zelfstandige woonruimte in Nederland en dat het ontvangen van een AOW-uitkering niet doorslaggevend is voor het aannemen van een sociale en economische binding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant werd niet als ingezetene van Nederland aangemerkt en had daarom geen recht op kinderbijslag per het tweede kwartaal 2005.