ECLI:NL:CRVB:2007:BB8619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende toename beperkingen
Appellant, na 33 jaar werkzaam te zijn geweest in de papierindustrie, viel uit wegens depressieve klachten en diverse somatische aandoeningen. Na medisch onderzoek werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%, waarop hem een WAO-uitkering werd toegekend. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de door haar benoemde deskundige Droogleever Fortuyn volgde, die concludeerde dat appellant in staat was drie van de vijf geselecteerde functies te verrichten.
Daarnaast meldde appellant zich als toegenomen arbeidsongeschikt voor de Ziektewet, maar werd dit door het UWV afgewezen op basis van medisch onderzoek en het oordeel dat er geen sprake was van toename van beperkingen. De rechtbank verklaarde ook dit beroep ongegrond. Appellant stelde dat hij niet in staat was de resterende functies te verrichten en vroeg om een tweede deskundige, wat de Raad afwees omdat de bestaande deskundigenrapporten zorgvuldig en gemotiveerd waren.
De Raad overwoog dat de medische informatie onvoldoende aanknopingspunten bood om het standpunt van de verzekeringsartsen te verwerpen. De visies van de verschillende psychiaters werden niet wezenlijk verschillend geacht en de informatie van latere psychiaters had geen betrekking op de relevante datum. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WAO- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende toename van beperkingen.