Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BB8641

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3563 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering WAO-uitkering op grond van functiebelasting en medische onderbouwing

Appellante, voormalig inpakster, viel in 1991 uit met rugklachten en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend. Deze werd in 1994 ingetrokken wegens geschiktheid voor haar eigen werk. Na een korte werkperiode via een uitzendbureau viel zij in 1998 opnieuw uit met psychische klachten. Het UWV weigerde haar per 1998 en 1999 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat een arbeidsdeskundige had vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg op basis van geselecteerde functies.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij zowel een verzekeringsarts als een psychiater betrokken waren. De beperkingen van appellante waren niet onderschat en de geringe overschrijdingen van functiebelasting waren voldoende toegelicht.

Daarnaast achtte de Raad de geselecteerde functies qua opleidingsniveau passend bij appellante, die basisonderwijs en drie jaar MAVO had gevolgd. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV om de WAO-uitkering te weigeren en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering aan appellante wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/3563 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2005, 03/1545 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Tevens was aanwezig de tolk E. Battaloglu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als inpakster toen zij op 11 februari 1991 uitviel met rugklachten. Bij het einde van de wachttijd van 52 weken was sprake van psychische klachten na een zwangerschap. In verband daarmee is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Deze uitkering is per 1 augustus 1994 ingetrokken wegens geschiktheid voor het eigen werk van inpakster. Tot augustus 1996 ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 27 november 1997 is zij gaan werken via een uitzendbureau in de functie van bandleester bij een diepvriesbedrijf. Zij heeft hier in totaal 15 dagen gewerkt. Op 2 januari 1998 is zij uitgevallen met hoofdpijn en spanningklachten. Blijkens een verzekeringsgeneeskundig rapport van 31 maart 1998 is zij geschikt geacht voor het eigen werk. Bij besluit van
29 april 1998 is per 3 februari 1998 ziekengeld geweigerd. Dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 1998 gehandhaafd. Bij uitspraak van 20 juli 1999 heeft de rechtbank het besluit van 27 augustus 1998 vernietigd. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en aan appellante over de periode van 2 januari 1998 tot en met
31 december 1998 ziekengeld betaald.
Op 6 maart 2000 heeft appellante een WAO-uitkering aangevraagd met als eerste ziektedag 2 januari 1998. Nadat op verzoek van de verzekeringsarts psychiater
N.J. de Mooij appellante had onderzocht en een rapport had uitgebracht, heeft de verzekeringsarts op 18 januari 2001 een belastbaarheidsprofiel opgesteld. Hij concludeerde dat appellante op 2 januari 1998 was uitgevallen met dezelfde klachten als waarvoor haar eerder een WAO-uitkering was toegekend, dat haar beperkingen per
2 januari 1998 waren toegenomen en dat het belastbaarheidspatroon van 10 januari 2001 ook eind januari 1998 (bij het einde van de wachttijd in het kader van Amber) van toepassing was. Echter, inmiddels was namens appellante ook een aanvraag gedaan voor een WAO-uitkering per 1 januari 1999. Een arbeidsdeskundige heeft blijkens een rapport van 12 maart 2001 uitgaande van de datum 1 januari 1999 functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 23 maart 2001 heeft het Uwv geweigerd appellante per 29 januari 1998 een
WAO-uitkering toe te kennen.
In het kader van het tegen het besluit van 23 maart 2001 gemaakte bezwaar heeft de gemachtigde van appellante, onder meer, aangevoerd dat het Uwv appellante ten onrechte per 29 januari 1998 een WAO-uitkering heeft geweigerd en dat haar tevens ten onrechte per 1 januari 1999 geen WAO-uitkering is toegekend. Bij besluit van 10 januari 2002 heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 januari 2003 het besluit van 10 januari 2002 vernietigd. De rechtbank oordeelde dat appellante hoe dan ook tot 3 februari 1998 recht had op ziekengeld en dat haar ook nadien tot en met 31 december 1998 ziekengeld is uitbetaald. Derhalve is aan appellante op onterechte gronden per 29 januari 1998 WAO-uitkering onthouden. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de datum 2 januari 1999 in dat geding niet ter beoordeling stond.
Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de data 29 januari 1998 en 2 januari 1999 (her)beoordeeld. Het belastbaarheidspatroon van 18 januari 2001 is op beide data van toepassing geacht. Op basis van dit belastbaarheidspatroon heeft bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis drie functies geselecteerd die appellante met haar beperkingen zou kunnen vervullen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op beide data berekend op minder dan 15%. Bij besluit op bezwaar van 25 september 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv appellante per 2 februari 1998 en per 1 januari 1999 een WAO-uitkering geweigerd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat in het belastbaarheidspatroon ten onrechte geen nekbeperking is aangenomen, dat haar psychische beperkingen zijn onderschat en dat rekening had moeten worden gehouden met haar geringe lengte
(1.51 m). De overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zoals die blijkt uit de functiebelastingen acht appellante onvoldoende toegelicht. Voorts gaan de functies het opleidingsniveau van appellante te boven.
De Raad stelt vast dat de rechtbank heeft geconstateerd dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de datum 1 januari 1999 een primair besluit is waartegen eerst bezwaar had moeten worden gemaakt. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van appellante echter verklaard dit niet nodig te achten, waarna de rechtbank ook de datum
1 januari 1999 heeft beoordeeld. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante voormeld standpunt bevestigd en de Raad verzocht de zaak af te doen. De Raad ziet geen aanleiding dit verzoek niet in te willigen.
De Raad is van oordeel dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts, van de behandelaars van appellante is informatie ontvangen en zij is onderzocht door een psychiater. Appellante heeft geen medische gegevens ingebracht op grond waarvan aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts zou kunnen worden getwijfeld. Zowel de behandelend neuroloog als psychiater De Mooij zagen geen aanleiding appellante het werken te verbieden. De conclusie is dan ook dat de (bezwaar)verzekeringsarts de beperkingen van appellante niet heeft onderschat.
Voorts is de Raad van oordeel dat de blijkens de verwoordingen functiebelasting (geringe) overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in de functies voldoende zijn toegelicht. Naar het oordeel van de Raad moeten de functies printplatenmonteur, naaister/stikster meubelbekleding en kleermaker pompwerk ook qua opleidingsniveau voor appellante geschikt worden geacht. Appellante heeft in Turkije het basisonderwijs afgerond en daarna 3 jaar onderwijs op MAVO-niveau gevolgd. Daarmee voldoet zij aan de vereisten voor het voor genoemde functies gestelde opleidingsniveau 2. Met deze functies kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is. De conclusie is dan ook dat het Uwv terecht aan appellante per beide in geding zijnde data WAO-uitkering heeft geweigerd en dat de rechtbank terecht het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op
21 november 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.
JL