ECLI:NL:CRVB:2007:BB8642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig doktersassistente, viel in 1999 uit wegens psychische klachten en ontving vanaf 2000 een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2004 stelde het UWV haar belastbaarheid vast op een niveau dat leidde tot intrekking van de uitkering per 4 mei 2004.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onzorgvuldig handelde, onvoldoende re-integratie-inspanningen verrichtte en het maatmanloon onjuist berekend was, omdat zij volgens eigen zeggen een 20-urige werkweek had in plaats van 40 uur. Zij overlegde medische stukken en verklaringen ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens voldoende waren om de belastbaarheid verantwoord vast te stellen en kende de ingebrachte stukken geen doorslaggevend gewicht toe. De berekening van het maatmanloon werd bevestigd aan de hand van loonstaten en eerdere opgaven van appellante. Ook werd geoordeeld dat re-integratie-inspanningen niet relevant zijn voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Arnhem en verwierp het hoger beroep van appellante. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 4 mei 2004.