ECLI:NL:CRVB:2007:BB8660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens indirecte verrijking en arbeidsinbreng
Appellant, aan wie een WAO-uitkering was toegekend, exploiteerde samen met zijn echtgenote twee besloten vennootschappen. Het UWV stelde op basis van een fraudeonderzoek vast dat appellant aanzienlijk meer arbeid verrichtte dan hij had opgegeven, namelijk 40-60 uur per week, en als leidinggevende optrad. Het UWV paste artikel 44 van Pro de WAO toe om de mate van arbeidsongeschiktheid voor het jaar 2000 lager vast te stellen en reviseerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, onder meer omdat hij de juistheid van het frauderapport betwistte en stelde dat zijn medische situatie en verblijf in het buitenland niet waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en onderschreef de uitgangspunten van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het UWV terecht is uitgegaan van het frauderapport en dat de medische omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd om het oordeel te wijzigen. Omdat appellant geen loon ontving terwijl zijn echtgenote een salaris kreeg dat overeenkwam met haar arbeid, en er sprake was van reservering van winst zonder bedrijfseconomische noodzaak, mocht de winst geheel aan appellant worden toegerekend als loonwaarde van zijn arbeid.
De Raad concludeert dat de toepassing van artikel 44 WAO Pro door het UWV juist is en dat de terugvordering van de te veel betaalde uitkering over 2000 terecht is. Er zijn geen gronden voor proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering over 2000 wegens hogere arbeidsinbreng en indirecte verrijking.