ECLI:NL:CRVB:2007:BB8683

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-375 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAOArt. 19 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken causaliteit met eerdere arbeidsongeschiktheid

Appellant verzocht om een WAO-uitkering, maar het UWV weigerde deze omdat de arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als waarvoor hij eerder een uitkering ontving. De Raad overwoog dat appellant onvoldoende medische gegevens had aangeleverd om een toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak aan te tonen.

De verzekeringsartsen concludeerden dat de oude hiel- en rugklachten nog steeds aanwezig zijn, maar dat de nieuwe klachten aan ellebogen, nek en een laag calciumgehalte niet dezelfde oorzaak hebben als de eerdere arbeidsongeschiktheid. Dit oordeel werd bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts, die ook informatie van behandelaars had meegenomen.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen reden om af te wijken van het besluit van het UWV. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van causaliteit met eerdere arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/375 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 januari 2006, 05/3043
(hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 23 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.G. Matze, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 5 april 2005 is aan appellant meegedeeld dat aan hem, volgend op zijn aanvraag gedateerd 14 februari 2005, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend, omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij voorheen 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, maar waarvoor hij nadien geen recht had op toekenning van een uitkering, omdat hij na die 52 weken niet arbeidsongeschikt was. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 43a, eerste lid van de WAO (de zogeheten wet Amber) gestelde causaliteitseis.
De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 3 augustus 2005
(het bestreden besluit) waarbij het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2005 werd gehandhaafd, ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat hij zieker is geworden op basis van de klachten waarvoor hij in het verleden ook een uitkering heeft gekregen. Daar het een verergering van oude klachten betreft meent appellant wel in aanmerking te komen voor de door hem aangevraagde WAO uitkering.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 43a, eerste lid van de WAO, voorzover hier van belang, kan toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet plaatsvinden, indien degene, die aan het einde van de in artikel 19 van Pro de WAO bedoelde wachttijd van destijds
52 weken arbeidsongeschikt was maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken.
Bij besluit van 18 maart 2004 was aan appellant een uitkering ingevolge de WAO geweigerd, omdat hij gelet op zijn medische beperkingen als gevolg van een ontsteking aan het linker hielbeen (fascitis plantaris ofwel hielspoor) alsook daarmee samenhangende rugklachten weliswaar niet meer geschikt was voor zijn oude beroep van machine-operator via een uitzendbureau, maar wel in staat was de hem alstoen door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen, zodat hij na afloop van de wachttijd op 28 maart 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
In zijn rapportages van 30 maart 2005 heeft de verzekeringsarts H. Oderkerk, mede op basis van eigen lichamelijk onderzoek van appellant, vastgesteld dat de oude hiel- en rugklachten nog steeds bestaan, en dat appellant daarnaast inmiddels klachten heeft ontwikkeld aan beide ellebogen, dat er sprake is van slijtage van de nek, en van een te laag calciumgehalte in het bloed. Dit oordeel is bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts J.T.J.A. Klijn, die daarbij de beschikking heeft gehad over informatie van appellants behandelaars, de huisarts Eisma, de orthopaedisch chirurg Naus en de neuroloog dr. Sanders.
De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat er geen sprake is van toename van beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als welke ten grondslag lag aan de uitkomst van de eerdere WAO-beoordeling in 2004.
Nu het hoger beroep, anders dan in het beroepschrift was aangekondigd, niet meer met nadere, van (behandelend) artsen afkomstige, gegevens is onderbouwd, en de Raad ook overigens geen aanknopingspunten heeft om de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank volledig.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en
A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) S. Sweep.
JL