ECLI:NL:CRVB:2007:BB8871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-33 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO- en WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad waarin de weigering van WAO- en WAZ-uitkeringen werd bevestigd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had besloten appellante vanaf 2 februari 2001 geen uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% respectievelijk 25% arbeidsongeschikt werd geacht.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek, waaronder onderzoeken van 10 maart 2000 en 5 februari 2004, voldoende zorgvuldig was en dat er geen reden was om de vastgestelde belastbaarheid onjuist te achten. Appellante stelde dat recenter medisch onderzoek had moeten plaatsvinden, maar bracht geen nieuw medisch bewijs in.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en acht de functies die aan de schatting ten grondslag liggen medisch geschikt. Er zijn geen gronden voor een ander oordeel of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO- en WAZ-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/33 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 november 2005, 05/350 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Tijseling, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 oktober 2007 heeft mr. Tijseling de Raad medegedeeld niet langer als gemachtigde van appellante op te treden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van 't Oor.
II. OVERWEGINGEN
Bij afzonderlijke besluiten van 19 april 2004 heeft het Uwv besloten appellante met ingang van 2 februari 2001een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te weigeren aangezien zij door het Uwv met ingang van 2 februari 2001 voor minder dan 15, respectievelijk minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van die wetten wordt aangemerkt.
Bij besluit van 26 januari 2005, verder: het bestreden besluit, zijn de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft -kort gezegd- geoordeeld dat het medisch onderzoek in deze zaak voldoende diepgaand en zorgvuldig is geweest. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante op de datum in geding voor onjuist te houden. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.
Dit oordeel van de rechtbank wordt door appellante in hoger beroep bestreden. Appellante is van oordeel dat naast het onderzoek van 10 maart 2000 van de verzekeringsarts Rietkerk recenter medisch onderzoek had behoren plaats te vinden.
Appellante ziet er aan voorbij dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, zij niet alleen door de verzekeringsarts Rietkerk op 10 maart 2000 maar ook op 5 februari 2004 door de bezwaarverzekeringsarts J.H. de Bruine is onderzocht voordat de primaire besluiten zijn genomen.
Van de zijde van appellante is noch tijdens de procedure bij de rechtbank noch tijdens de procedure in hoger beroep enig medisch gegeven in gebracht dat erop zou kunnen wijzen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op de datum 2 februari 2001 heeft overschat, terwijl tijdens de hoorzitting bij het Uwv van de zijde van appellante is erkend dat, op een klein feitelijk detail na, de inhoud van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts De Bruine juist is.
Bezien bij het licht van zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN: BA2955 acht de Raad evenals de rechtbank de functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht geschikt.
De Raad heeft daarom geen aanleiding gevonden om over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
MK