ECLI:NL:CRVB:2007:BB8950

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7029 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontzegging WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag

Appellante was het niet eens met het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te weigeren per 11 april 2004, omdat zij volgens het UWV niet arbeidsongeschikt was. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV voldoende rekening had gehouden met haar beperkingen en dat het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts betrouwbaar was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij lijdt aan het hypermobiliteitssyndroom en dat zij haar functies niet kan vervullen. Zij verzocht ook om benoeming van een deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat de rechtbank het medische aspect terecht had beoordeeld. Er waren geen nieuwe feiten die een nader medisch onderzoek rechtvaardigden.

De Raad benadrukte dat arbeidsongeschiktheid alleen kan worden vastgesteld indien op objectieve medische gronden wordt aangetoond dat de verzekerde niet in staat is om passende arbeid te verrichten. In dit geval ontbrak een eenduidige en medisch gemotiveerde opvatting van deskundigen die het onvermogen tot arbeid bevestigde. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en de WAO-uitkering ontzegd.

De uitspraak werd gedaan door K.J.S. Spaas en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ontzegging van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag.

Uitspraak

05/7029 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 oktober 2005, 04/2858 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 20 januari 2006 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 31 januari 2006.
Mr. Kiela heeft namens appellante bij brief van 25 oktober 2006 een rapportage van een arbeidsongeschiktheidsonderzoek van Aob Compaz van 20 september 2006 overgelegd. Het Uwv heeft hierop gereageerd door middel van een reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 3 november 2006 en een rapportage, met bijlagen, van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 8 november 2006.
Vervolgens heeft mr. Kiela medische informatie overgelegd van anesthesioloog
B. Bertina van 21 september 2007, een brief van de arts dr. A.J. Hakim van 10 oktober 2007, een brief van de arts voor Maatschappij en Gezondheid H. Schenk van 24 augustus 2007 en de vraagstelling voor een deskundigenonderzoek van de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 06/3750 Wajong, plaatsgevonden op
6 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kiela. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 23 april 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van
11 april 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van die wet. Bij besluit van 24 september 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen aanleiding om het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 11 april 2004 in voldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden. In de zich in het dossier bevindende medische gegevens ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. De rechtbank komt tot het oordeel dat het besluit van het Uwv omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per
11 april 2004 niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berust. De rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aan appellante met ingang van 11 april 2004 een WAO-uitkering ontzegd.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij het niet eens is met de mening van de bezwaarverzekeringsarts. Appellante overlegt informatie over het hypermobiliteitssyndroom. Tevens geeft appellante aan waarom zij de geduide functies niet kan vervullen. Voorts verzoekt appellante om een deskundige te benoemen.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van Pro de WAO -voor zover in dit verband van belang- is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.
Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven.
In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. In dit geval hebben de diverse specialisten weliswaar geen medisch objectiveerbare oorzaak voor de pijnklachten van appellante gevonden, betrekking hebbende op de datum in geding, maar uit de gedingstukken blijkt niet van een opvatting als hiervoor omschreven zodat er geen sprake is van een bijzonder geval als hiervoor vermeld.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht op de zaak werpen en biedt onvoldoende aanknopingspunten tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
JL