Appellante verzocht om een WAO-uitkering, welke door het UWV geweigerd werd op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 13 december 2004. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen medische stukken waren ingediend die het oordeel van de verzekeringsartsen konden betwisten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar grieven en overhandigde aanvullende medische informatie van onder meer een orthomoleculair arts, osteopaat en hypnotherapeut, welke echter betrekking hadden op tijdstippen na de datum van het bestreden besluit. De Raad vond deze informatie onvoldoende om het eerdere medisch oordeel te weerleggen.
De Raad stelde vast dat appellante in staat was om de door de arbeidsdeskundige voorgelegde functies te vervullen, met een verlies aan verdiencapaciteit van slechts 7,62%. Daarom was de vaststelling van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid terecht en kon het hoger beroep niet slagen. Vergoeding van schade werd afgewezen en toepassing van artikel 8:75 AwbPro was niet aan de orde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.
Uitspraak
06/49 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2005, 05/3761 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Delescen heeft bij brief van 16 maart 2006 medische informatie overgelegd van orthomoleculair arts drs. G.G. de Ruig van 7 maart 2006. Het Uwv heeft hierop gereageerd door middel van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 7 april 2006.
In verband met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) heeft het Uwv verwezen naar de rapportage, met bijlagen, van de bezwaararbeidsdeskundige P.J.G.A. Pols Paardekooper van 28 maart 2006.
Bij brief van 1 juni 2006 heeft mr. Delescen nadere medische informatie ingediend van osteopaat L. Johnson van 7 mei 2006 en van hypnotherapeut A.C. Flohr van 16 mei 2006. Het Uwv heeft gereageerd door middel van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 19 juni 2006.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Delescen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 31 december 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 13 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen onder de overweging dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van die wet. Bij besluit van 2 mei 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 december 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de verzekeringsarts mocht onderschrijven aangezien appellante in beroep geen medische stukken heeft ingebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. Appellante was naar het oordeel van de rechtbank per 13 december 2004 in staat om de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
In hoger beroep heeft appellante haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin, om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante geen steun. De namens appellante in hoger beroep overgelegde informatie, waaronder de brief van orthomoleculair arts drs. G.G. de Ruig van 7 maart 2006, de brief van osteopaat L. Johnson van 7 mei 2006 en de brief van hypnotherapeut A.C. Flohr van 16 mei 2006 ziet op tijdstippen die na de in geding zijnde datum liggen.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht op de zaak werpen en biedt onvoldoende aanknopingspunten tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige H.V. de Haas geselecteerde en aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen vervullen.
De aan appellante voorgehouden functies van acquisiteur (sbc-code 516180), parkeercontroleur (sbc-code 342022) en brugwachter/sluiswachter (sbc-code 282170) vormen naar het oordeel van de Raad, mede gezien het vorenstaande, een voldoende basis voor de schatting. Vergelijking van het maatmanloon van appellante met de mediane loonwaarde van deze functies leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van 7,62%. Het Uwv heeft derhalve terecht de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.