ECLI:NL:CRVB:2007:BB8958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering functieschatting
Appellante had een WAO-uitkering die door het UWV per 23 september 2004 werd ingetrokken. Het bezwaar van appellante tegen deze intrekking werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was en de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en stelde specifiek dat zij niet in staat was de functie van medewerker tuinbouw te vervullen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat, ondanks twijfel over deze functie, er voldoende reservefuncties waren om de schatting op te baseren. Het UWV erkende echter dat voorafgaand aan het bestreden besluit geen afdoende motivering was gegeven waarom de functies medisch geschikt waren voor appellante.
Pas in hoger beroep werd het besluit voorzien van een toereikende onderbouwing door een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.