ECLI:NL:CRVB:2007:BB8958

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7415 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering functieschatting

Appellante had een WAO-uitkering die door het UWV per 23 september 2004 werd ingetrokken. Het bezwaar van appellante tegen deze intrekking werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was en de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en stelde specifiek dat zij niet in staat was de functie van medewerker tuinbouw te vervullen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat, ondanks twijfel over deze functie, er voldoende reservefuncties waren om de schatting op te baseren. Het UWV erkende echter dat voorafgaand aan het bestreden besluit geen afdoende motivering was gegeven waarom de functies medisch geschikt waren voor appellante.

Pas in hoger beroep werd het besluit voorzien van een toereikende onderbouwing door een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

05/7415 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 november 2005, 05/190 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 10 februari 2006. Tevens heeft het Uwv bij brief van 17 oktober 2007 een rapportage overgelegd van bezwaararbeidsdeskundige
J.J. van der Naald van 16 oktober 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wudka. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij besluit van 23 juli 2004, voor zover hier van belang, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 september 2004 ingetrokken. Bij besluit van 21 december 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juli 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende reden is om aan te nemen dat het medisch onderzoek zodanig volledig is geweest dat de besluitvorming voldoet aan het zorgvuldigheidsbeginsel. De medische beoordeling kan stand houden, en omdat niet gebleken is dat de belastbaarheid wordt overschreden is de rechtbank van oordeel dat het besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd.
In hoger beroep heeft appellante grotendeels haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Ter zitting heeft appellante specifiek aangevoerd dat zij niet in staat is de functie van medewerker tuinbouw te vervullen.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt als volgt.
Wat betreft de toepassing van de gewijzigde schattingsmethodiek, met behulp van het zogenaamde Claim Beoordelings- en BorgingsSysteem (CBBS), verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.
De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin, om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante geen steun.
Het is voor de Raad, gelet in het bijzonder op de in rubriek I vermelde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 16 oktober 2007 en het verhandelde ter zitting, in voldoende mate aannemelijk geworden dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij het selecteren van voor appellante geschikt te achten functies alle relevante beperkingen van appellante, zoals deze door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn vastgesteld, in ogenschouw heeft genomen.
De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de functies die uiteindelijk als schattingsgrondslag resteren, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Voor zover getwijfeld wordt aan de geschiktheid van de functie van medewerker tuinbouw, wil de Raad het volgende opmerken. Nu er tevens reservefuncties geduid zijn, blijven er bij het eventueel vervallen van de functie medewerker tuinbouw genoeg functies over om de schatting op te baseren.
Het Uwv heeft ter zitting erkend dat voorafgaande aan het bestreden besluit geen afdoende motivering is gegeven waarom de geduide functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Pas in hoger beroep is het bestreden besluit door de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 16 oktober van een als toereikende aan te merken onderbouwing voorzien en is daarom aanleiding om de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 39,88 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.327,88.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een
bedrag groot € 1.327,88 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) K.J.S Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
TM