ECLI:NL:CRVB:2007:BB8959

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3750 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk

Appellante verzocht om een Wajong-uitkering, die door het UWV aanvankelijk werd geweigerd omdat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar kende het UWV haar een uitkering toe vanaf 27 maart 2003 met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar vanaf 1 november 2003 werd zij geschikt geacht voor haar eigen werk, waardoor het recht op uitkering verviel.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat zij het oordeel van het UWV, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapportages, onderschreef. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en overhandigde zij aanvullende medische informatie, maar de Centrale Raad van Beroep zag geen reden om van het eerdere oordeel af te wijken.

De Raad oordeelde dat de medische beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat het belastbaarheidspatroon een juiste weergave was van haar situatie op de relevante datum. De aanvullende medische informatie kon niet het gewicht krijgen dat appellante wenste, omdat deze niet duidelijk betrekking had op de datum in geschil.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat een eventuele herbeoordeling na 1 november 2003 door het UWV kan plaatsvinden, waarbij nieuwe medische gegevens kunnen worden betrokken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 1 november 2003 geschikt was voor haar eigen werk en geen recht meer had op Wajong-uitkering.

Uitspraak

06/3750 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2006, 05/3854 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft appellante medische informatie overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 30 oktober 2006 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 30 oktober 2006.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 05/7029 WAO, plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kiela. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 25 juli 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen onder de overweging dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van die wet. Bij besluit van 1 november 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 mei 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het Uwv heeft besloten om appellante met ingang van 27 maart 2003 een Wajong-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 november 2003 heeft het Uwv appellante geschikt geacht voor haar eigen werk zodat appellante per die datum voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht voor de Wajong waardoor er vanaf dat moment geen recht meer bestaat op uitkering.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet, gelet op de beschikbare medische gegevens geen aanleiding om het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 november 2003 in voldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden. Op grond van de medische stukken in het dossier ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Tevens ziet de rechtbank geen aanleiding om het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige voor onjuist te houden.
In hoger beroep heeft appellante grotendeels haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Tevens heeft appellante medische informatie overgelegd. Voorts verzoekt appellante om een deskundige te benoemen.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden, die haar leidden tot het oordeel dat het Uwv op grond van de beschikbare gegevens de medische beperkingen van appellante niet heeft onderschat, komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat het door verzekeringsarts P. Schoorl opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal geaccordeerde belastbaarheidspatroon geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Aan de in hoger beroep overgelegde medische informatie kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien, nu deze rapportage niet duidelijk ziet op de datum die thans in geding is.
Op grond van het vorenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
De Raad is voorts evenals de rechtbank, van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellante op de datum in geding, gelet op haar medische beperkingen, in staat was haar eigen werk te vervullen. Het Uwv heeft derhalve terecht de Wajong-uitkering van appellante met ingang van
1 november 2003 ingetrokken.
Ten overvloede wil de Raad nog opmerken dat het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat indien appellante een aanvraag indient voor een herbeoordeling, het Uwv het recht op een Wajong-uitkering zal dienen te beoordelen over tijdvakken na 1 november 2003, respectievelijk 11 april 2004. Bij die beoordeling kunnen de in dit geding overgelegde medische gegevens worden betrokken. De Raad geeft het Uwv in overweging die beoordeling door een andere (bezwaar)verzekeringsarts te laten plaatsvinden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
JL