AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant, werkzaam als horecamedewerker, viel in 1999 uit met psychische klachten en ontving een WAO-uitkering op basis van een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Na heronderzoek werd appellant geschikt geacht voor gangbare arbeid, waarna zijn WAO-uitkering werd ingetrokken en hij een WW-uitkering ontving. In 2004 meldde appellant zich opnieuw ziek met toegenomen psychische klachten. Na medisch onderzoek in 2005 concludeerden verzekeringsartsen dat appellant geen extra beperkingen had en geschikt was voor de eerder voorgehouden functies.
Het Uwv besloot daarom de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2005 te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts bevestigde het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordelingen zorgvuldig waren en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om dit oordeel te weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag lagen aan de WAO-beoordeling. De Raad wijst erop dat de medische onderzoeken zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat appellant geen nieuwe medische feiten heeft aangedragen die tot een ander oordeel zouden leiden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de Ziektewet-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2005 wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor de eerder voorgehouden functies.
Uitspraak
06/2240 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 maart 2006, 05/3837 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft op 17 oktober 2007 plaatsgevonden. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, werkzaam als horecamedewerker, viel op 21 april 1999 uit met psychische klachten. Per einde wachttijd ontving hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een heronderzoek heeft een verzekeringsarts appellant onderzocht en psychische en lichamelijke beperkingen aangenomen die zijn omschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 september 2003. Met inachtneming van deze beperkingen is appellant na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid waarna zijn WAO-uitkering bij besluit van 27 november 2003 per 7 januari 2004 is ingetrokken. Als gangbare arbeid zijn hem onder meer de functies van sorteerder, vleeswarenmaker en samensteller voorgehouden. Sedertdien heeft appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 26 februari 2004 wederom ziek gemeld met toegenomen psychische klachten. Op 6 juni 2005 is hij terzake van deze ziekmelding onderzocht door de arts M.A. de Graaff, die in verband met de geconstateerde hypertensie informatie bij de huisarts opvraagt. Bij het tweede spreekuurcontact van 29 juli 2005 komt de verzekeringsarts, na onderzoek, tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat tot het aannemen van extra beperkingen ten opzichte van de eerder opgestelde FML van 12 september 2003, waarin reeds rekening werd gehouden met een enigszins verminderde psychische en fysieke belastbaarheid. Appellant wordt in staat geacht tot lichte fysieke inspanning en wordt volledig geschikt geacht tot het verrichten van de eerder voorgehouden functies.
Bij besluit van 29 juli 2005 wordt aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 1 augustus 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van de eerder voorgehouden functies en derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
In het kader van het door appellant tegen het besluit van 29 juli 2005 gemaakte bezwaar heeft hij op 6 september 2005 het spreekuur bezocht van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff. Na lichamelijk en psychisch onderzoek en bestudering van de reeds in het dossier aanwezige medische informatie, waaronder recente inlichtingen van de huisarts van appellant, heeft deze geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat tot herziening van de medische grondslag waarop de primaire beslissing is gebaseerd.
Bij besluit van 9 september 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen tot een zorgvuldig medisch oordeel zijn gekomen, nu uit de stukken blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde lichamelijke en psychische klachten, waaronder de rugklachten waarvoor appellant fysiotherapie heeft ondergaan en medicatie heeft gekregen, en van de aanmelding bij de GGZ. Ten aanzien van de galblaasklachten terzake waarvan appellant op 7 oktober 2005 een operatie heeft ondergaan, heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 12 januari 2006 uiteengezet waarom niet aannemelijk is dat op de datum in geding, 1 augustus 2005, al sprake was van deze problematiek. Nu van de zijde van appellant geen informatie is overgelegd welke tot een ander oordeel zou kunnen leiden, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het verzoek om een deskundige in te schakelen te honoreren.
De Raad overweegt als volgt.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag zijn gelegd aan de schatting in het kader van de WAO.
De Raad is van oordeel dat appellant in hoger beroep geen medische onderbouwing heeft aangeleverd voor zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de verzekeringsartsen tot een zorgvuldig medisch oordeel zijn gekomen. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, waarbij de Raad aantekent dat appellant zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts lichamelijk en psychisch is onderzocht, daarbij gebruikmakend van de reeds in het dossier aanwezige informatie.
Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant met ingang van 1 augustus 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld en in staat moet worden geacht om zijn arbeid, zijnde ten minste één van de eerder genoemde functies, te verrichten.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.