ECLI:NL:CRVB:2007:BB9012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid tot arbeid na medisch onderzoek
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om met ingang van 9 februari 2005 zijn ziekengeld in te trekken, omdat hij volgens het UWV niet langer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank ’s-Gravenhage had het bezwaar ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad toetste de medische onderbouwing van het besluit, waarbij de bevindingen van de verzekeringsarts centraal stonden. Deze arts concludeerde dat appellant belastbaar was voor zijn werk als postmedewerker, mede gebaseerd op het feit dat appellant tijdens het medisch onderzoek niet angstig overkwam en in staat was zijn financiële zaken zelfstandig te regelen. De door appellant aangevoerde tegenargumenten, zoals het niet alleen kunnen reizen, werden door de Raad niet doorslaggevend geacht.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de informatie van de behandelend psychiater de conclusies van de verzekeringsarts ondersteunde. Op grond hiervan werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van het ziekengeld bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van het ziekengeld blijft gehandhaafd.