ECLI:NL:CRVB:2007:BB9033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum herziening dagloon bij WW-uitkering en duuraanspraken
Appellante, werkzaam als arts-assistent, kreeg bij besluit van het UWV een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon van €148,49 met ingang van 16 september 2003. Na bezwaar en beroep werd het dagloon verhoogd naar het maximum van €167,70 met ingang van 7 maart 2005. Appellante stelde dat het dagloon met terugwerkende kracht vanaf 16 september 2003 verhoogd moest worden en dat zij te weinig was uitbetaald over de periode van 7 maart 2005 tot 12 februari 2006.
De Raad overwoog dat het feit dat het oorspronkelijke dagloon te laag was vastgesteld geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt die herziening rechtvaardigt. Appellante was immers bekend met haar salarisopbouw en had tijdig kunnen constateren dat het dagloon te laag was vastgesteld. De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de herziening van het dagloon te laten ingaan per 7 maart 2005 en verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad achtte het bezwaar over de vermeende te lage nabetaling voldoende weerlegd door het UWV, dat onder meer wees op het feit dat appellante in een deel van de periode minder uren had gewerkt. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het dagloon wordt met ingang van 7 maart 2005 herzien.