Art. 18 lid 2 WAOArt. 28 lid 8 WAJONGArt. 30 lid 1 WAOArt. 5 WAJONGArt. 6 WAJONG
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek arbeidsongeschiktheid
De werkneemster trad in mei 2003 in dienst en meldde zich kort daarna ziek wegens psychische klachten. Het UWV kende haar een WAO-uitkering toe op basis van langdurige psychiatrische behandeling en een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De werkgever maakte bezwaar omdat onvoldoende was onderzocht of de werkneemster bij indiensttreding al arbeidsongeschikt was, wat gevolgen kan hebben voor het recht op WAO-uitkering.
De rechtbank vernietigde het UWV-besluit wegens gebrek aan zorgvuldig arbeidskundig onderzoek en onvoldoende motivering. Het UWV ging in hoger beroep tegen de volgorde van beoordeling van arbeidsongeschiktheid, maar verrichtte alsnog een arbeidskundig onderzoek dat concludeerde dat de werkneemster bij aanvang in staat was haar werk te verrichten.
De werkgever stelde dat het UWV ook had moeten onderzoeken of de werkneemster op 17-jarige leeftijd of tijdens studie al arbeidsongeschikt was in het kader van de WAJONG. De Raad onderschreef dit standpunt en oordeelde dat het UWV dit onderzoek had moeten uitvoeren, aangezien de medische voorgeschiedenis daartoe aanleiding gaf.
De Raad vernietigde het bestreden besluit omdat het niet berust op een zorgvuldig onderzoek en motivering. Het UWV moet een nieuwe beslissing nemen, waarbij ook de WAJONG-beoordeling wordt betrokken. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de werkgever.
Uitkomst: Het UWV-besluit tot toekenning van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen met aanvullend onderzoek, inclusief een WAJONG-beoordeling.
Uitspraak
06/7304 + 07/46 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) en
[Werkgever],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 november 2006, 05/3273 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de werkgever
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens de werkgever heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, eveneens hoger beroep ingesteld.
Beide partijen hebben in elkaars beroepszaak een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft [werkneemster] (hierna: de werkneemster) schriftelijk medegedeeld niet als partij aan de gedingen in hoger beroep te willen deelnemen. Voorts heeft zij daarbij aangegeven in hoger beroep geen toestemming meer te willen verlenen voor het verstrekken van haar medische gegevens aan de werkgever.
De Raad heeft aan het Uwv toestemming gegeven voor het verrichten van een nader arbeidskundig onderzoek. Het Uwv heeft het resultaat daarvan in de vorm van een brief met een daarbij gevoegd arbeidskundig rapport ingezonden op 5 september 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.E.A. Smit.
Namens de werkgever is verschenen mr. Van Zijl voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
De werkneemster is met ingang van 20 mei 2003 als kledingverkoopster bij de werkgever in dienst getreden voor 20 uur per week. Op 7 september 2003 heeft zij zich vanwege psychische klachten ziek gemeld.
Bij besluit van 12 november 2004 heeft het Uwv aan de werkneemster, na afloop van de voor haar geldende wachttijd, met ingang van 5 september 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Dit besluit berust op het oordeel van de verzekeringsarts dat de werkneemster geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft voor het verrichten van arbeid omdat zij een langdurige psychiatrische dagbehandeling moet ondergaan.
Namens de werkgever is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De toekenning van de WAO-uitkering aan de werkneemster kan voor de werkgever nadelige gevolgen hebben in verband met de hogere gedifferentieerde WAO-premie die de werkgever mogelijk moet gaan betalen. De werkgever is niet overtuigd van de juistheid van die toekenning. Zo is volgens de werkgever niet voldoende onderzocht of de werkneemster op de datum van haar indiensttreding al geheel onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Als hiervan sprake is zou dit in verband met artikel 30, eerste lid, van de WAO respectievelijk artikel 18, tweede lid, van de WAO gevolgen kunnen hebben voor het recht op een WAO-uitkering.
Bij besluit van 1 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de werkneemster bij aanvang van de dienstbetrekking al geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was omdat zij in de gewerkte periode goed heeft gefunctioneerd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van de werkgever tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aan het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Daarbij is het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van het door de werkgever betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en tevens een draagkrachtige motivering ontbeert, voor zover het gaat om het standpunt van het Uwv dat van een situatie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WAO geen sprake is. Er is geen deugdelijk arbeidskundig onderzoek verricht naar de vraag of de werkneemster bij aanvang van de verzekering en bij het einde van de wachttijd voor haar laatstelijk verrichtte werk geschikt was. Een tweede reden om het bestreden besluit te vernietigen vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en het ontbreken van een deugdelijke motivering is dat de rechtbank de redenering van het Uwv dat de werkneemster vanwege een dagbehandeling niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt en daarom volledig arbeidsongeschikt is te achten, niet kan volgen. De vraag of sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden komt volgens de rechtbank pas aan de orde als is vastgesteld dat er sprake is van (een relevante mate van) arbeidsongeschiktheid die onder de verzekering valt.
Het Uwv heeft berust in de uitspraak voorzover die ziet op het ontbreken van een arbeidskundig onderzoek dat is toegespitst op de geschiktheid voor het eigen werk. Het Uwv is evenwel in hoger beroep gekomen vanwege de overwegingen van de rechtbank over de volgorde waarin de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid zou moeten plaatsvinden. Het Uwv is het met die overwegingen niet eens.
Het Uwv heeft met toestemming van de Raad alsnog een arbeidskundig onderzoek verricht. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.H. Boel van 3 september 2007 wordt geconcludeerd dat de werkneemster op de datum van aanvang van de verzekering weliswaar beperkingen had, maar dat zij met die beperkingen in staat moest worden geacht haar werk te verrichten.
Namens de werkgever is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een aantal van zijn grieven niet heeft gehonoreerd, dan wel daar niet op in is gegaan. Ter zitting van de Raad is voorts namens de werkgever het standpunt verdedigd dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of de werkneemster op 17-jarige leeftijd of later tijdens haar studie al zodanige beperkingen had dat zij in aanmerking had moeten worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). Uit het medische dossier van de werkneemster kan worden afgeleid dat er sprake is van een zeer traumatische jeugd, een vastgestelde chronische posttraumatische stressstoornis, een als gevolg van psychische klachten afgebroken opleiding en mogelijk ook een persoonlijkheidsstoornis waarvan bekend is dat die ontstaat in de vroege volwassenheid (en derhalve vóór aanvang van de verzekering). Onder dergelijke omstandigheden had een onderzoek naar het recht op een WAJONG-uitkering niet achterwege mogen blijven.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad onderschrijft het standpunt van de gemachtigde van de werkgever dat er in de medische voorgeschiedenis van de werkneemster voldoende aanknopingspunten zijn te vinden om een onderzoek naar het bestaan van arbeidsongeschiktheid op 17-jarige leeftijd of later tijdens haar studie noodzakelijk te achten, ook al heeft de werkneemster daar zelf niet om verzocht. De Raad wijst in dit verband op artikel 28, achtste lid, van de WAJONG, zoals dat ten tijde van de datum in geding gold. De verzekeringsarts S.S. Audhoe heeft dit in zijn rapport van 16 september 2004 kennelijk ook onderkend, getuige zijn opmerking dat belanghebbende ook in aanmerking komt voor een WAJONG-beoordeling. Een volledige WAJONG-beoordeling heeft echter vervolgens niet plaatsgevonden. In een arbeidskundig rapport van 16 oktober 2004 wordt weliswaar vermeld dat de werkneemster geen jeugdgehandicapte is, maar dit berust op de veronderstelling dat het beoordelingsmoment ligt op de datum van indiensttreding bij de werkgever op 20 mei 2003. Omdat zij op dat moment het wettelijk minimumloon kon verdienen zou zij niet in aanmerking komen voor een WAJONG-uitkering. De Raad is van oordeel dat het uitgangspunt van deze WAJONG-beoordeling onjuist is en dat alsnog moet worden onderzocht of sprake is van een situatie als aangegeven in de artikelen 5 en 6 van de WAJONG.
In het geval van toekenning van een WAJONG-uitkering wordt aan de problematiek die in het bezwaar en beroep van de werkgever is opgeworpen en waarover de rechtbank heeft geoordeeld niet toegekomen. De verdiensten uit de door de werkneemster verrichtte werkzaamheden zouden dan ingevolge de daartoe geldende anticumulatiebepalingen van de WAJONG op de uitkering in mindering moeten worden gebracht. Na het staken van de werkzaamheden zou de uitkering weer ten volle moeten worden uitbetaald.
De Raad is derhalve van oordeel dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheidsaanspraak van de werkneemster, welke uitsluitend was gericht op het verkrijgen van een WAO-uitkering, niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Hetgeen de rechtbank over die WAO-beoordeling heeft overwogen en hetgeen parijen in hoger beroep als grieven tegen die uitspraak hebben aangevoerd behoeft naar het oordeel van de Raad geen bespreking meer. De Raad onderschrijft alleen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat dit niet berust op een zorgvuldig onderzoek en omdat hieraan geen deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Nu de Raad op grond van geheel andere overwegingen dan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, behoudens voorzover daarin is beslist over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Voorts zal de Raad bepalen dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar van de werkgever moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van griffierecht en proceskosten is beslist;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever het betaalde griffierecht van € 422,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.