ECLI:NL:CRVB:2007:BB9043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1769 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd

Appellant, werkzaam als inpakker bloemen, meldde zich ziek met rug-, maagklachten en hoofdpijn. Verzekeringsarts Van Uitert concludeerde dat appellant per 18 maart 2005 geschikt was voor zijn werk. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer onderschreef na onderzoek de eerdere conclusie.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en hechtte waarde aan de medische rapporten. Appellant voerde in hoger beroep zonder nieuwe medische onderbouwing dezelfde grieven aan, waaronder dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende inzicht had in de aard en zwaarte van het werk.

De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie had om zijn oordeel te vormen en dat geen nieuwe feiten of medische gegevens waren aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1769 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2006, 05/3205 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.P.T. Posthuma, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, laatstelijk werkzaam als inpakker bloemen, meldde zich per 3 februari 2005 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek met rug- en maagklachten en hoofdpijn. In het kader van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur van verzekeringsarts J. van Uitert van 17 maart 2005 bezocht. Deze arts concludeerde na onderzoek dat appellant per 18 maart 2005 geschikt wordt geacht voor zijn werk als inpakker bloemen.
Bij besluit van 20 maart 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 18 maart 2005 geen recht (meer) heeft op ziekengeld omdat hij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer onderschrijft in zijn rapport van 21 juni 2005, na eigen onderzoek, dossieronderzoek en bestudering van de overgelegde informatie van de huisarts van appellant, de conclusie van verzekeringsarts Van Uitert. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de rapporten van bezwaarverzekeringsarts De Brouwer van 21 juni 2005, 2 september 2005 en
20 januari 2006. De neusseptumcorrectie is volgens de bezwaarverzekeringsarts een betrekkelijk geringe ingreep die niet op het bestreden besluit van invloed is, de informatie van de fysiotherapeut ziet op een periode van ruim na de datum in geding en de geconstateerde groeistoornis – die al op de datum in geding aanwezig was – is weliswaar een nieuw gegeven, maar heeft geen gevolgen voor de geschiktheid van het eigen werk, nu in dit werk zwaar tillen niet voorkomt en er voldoende mogelijkheden zijn om te vertreden. Nu appellant geen nieuwe informatie van medische aard heeft overgelegd die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, heeft het Uwv op goede gronden en na zorgvuldig onderzoek kunnen oordelen dat appellant op en na 18 maart 2005 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid, aldus de rechtbank.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
Hetgeen door appellant in hoger beroep zonder enige medische onderbouwing is aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van de door appellant in eerste aanleg opgeworpen, en door de rechtbank terecht verworpen, grieven. Ten aanzien van de grief dat de bezwaarverzekeringsarts niet over een goede werkomschrijving beschikte is de Raad van oordeel dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 21 juni 2005 genoegzaam blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling een voldoende duidelijk beeld had van de aard en de zwaarte van het werk van appellant.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
JL