ECLI:NL:CRVB:2007:BB9055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 29 november 2004, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Utrecht oordeelde eerder dat de medische en arbeidskundige gronden van het besluit juist waren en dat de subsidiaire grondslag geen bespreking behoefde.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad acht de belastbaarheid van appellante, waaronder het zitten en psychische beperkingen, adequaat beoordeeld. De revalidatiearts gaf aan dat appellante maximaal een uur kan zitten, wat in overeenstemming is met de Functionele Mogelijkheden Lijst. Psychische beperkingen zijn volgens de Raad niet onderschat, mede gelet op de medische stukken en het arbeidskundig rapport.
De Raad concludeert dat appellante geschikt is voor de maatgevende functie van verkoopster en voor gangbare arbeid, en dat de eerdere toekenning van 80-100% arbeidsongeschiktheid losstaat van de beoordeling per 29 november 2004. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 29 november 2004 wordt bevestigd.