ECLI:NL:CRVB:2007:BB9055

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6729 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 29 november 2004, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Utrecht oordeelde eerder dat de medische en arbeidskundige gronden van het besluit juist waren en dat de subsidiaire grondslag geen bespreking behoefde.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad acht de belastbaarheid van appellante, waaronder het zitten en psychische beperkingen, adequaat beoordeeld. De revalidatiearts gaf aan dat appellante maximaal een uur kan zitten, wat in overeenstemming is met de Functionele Mogelijkheden Lijst. Psychische beperkingen zijn volgens de Raad niet onderschat, mede gelet op de medische stukken en het arbeidskundig rapport.

De Raad concludeert dat appellante geschikt is voor de maatgevende functie van verkoopster en voor gangbare arbeid, en dat de eerdere toekenning van 80-100% arbeidsongeschiktheid losstaat van de beoordeling per 29 november 2004. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 29 november 2004 wordt bevestigd.

Uitspraak

05/6729 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2005, 05/377 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.A. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Drenth. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft verweerder de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) met ingang van 29 november 2004 ingetrokken, omdat appellante op en na die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, primair in verband met geschiktheid voor de maatgevende functie van verkoopster in een juwelierszaak gedurende 15,5 uur per week en subsidiair in verband met geschiktheid voor gangbare arbeid.
Bij besluit op bezwaar van 4 februari 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en de primaire arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en geconcludeerd dat de subsidiaire arbeidskundige grondslag van het besluit derhalve geen bespreking behoefde.
De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank in grote lijnen verenigen en overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd nog het volgende.
Ook de Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat het Uwv appellante na een voorgaande procedure alsnog met ingang van 7 juli 2003 als ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO heeft aangemerkt, los staat van de hier in geding zijnde beoordeling per 29 november 2004.
Wat betreft de stelling van appellante dat zij gelet op het standpunt van de revalidatiearts M.A.H. Brouwer zoals weergegeven in diens brief van 13 november 2003 maximaal 30 minuten kan zitten, overweegt de Raad dat diezelfde revalidatiearts in een schrijven van 16 augustus 2004, opgesteld na afloop van de revalidatiebehandeling, te kennen geeft dat appellante maximaal een uur kan zitten. De Raad ziet dan ook geen grond te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op het aspect zitten is overschat, nu daarbij in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangetekend dat vertreden mogelijk moet zijn. Niet gebleken is dat het eigen werk van appellante als verkoopster bij een juwelier, zoals beschreven in het arbeidskundig rapport van 24 april 2003, niet in overeenstemming is met haar belastbaarheid op de datum hier in geding.
De grief van appellante dat haar psychische beperkingen zijn onderschat vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de beschikbare medische gegevens en met name niet in het namens appellante overgelegde schrijven van de klinische psycholoog/psychotherapeute drs. A.M. Juda van 1 september 2005. De Raad onderschrijft hetgeen daarover in het verweerschrift is opgemerkt. De Raad voegt daaraan toe dat in de FML met diverse psychische beperkingen rekening is gehouden en dat van een bijzondere psychische belasting in het eigen werk met overschrijding van de gestelde beperkingen in dit opzicht niet gebleken is.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
JL