ECLI:NL:CRVB:2007:BB9066

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5874 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 5 ZiektewetArt. 5 Werkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht bij privaatrechtelijke dienstbetrekking ondanks ongelijke aandelenverhouding

Appellante voerde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden waarin werd vastgesteld dat er in 2003 sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en betrokkenen, wat verzekeringsplicht in de sociale werknemersverzekeringswetten tot gevolg had. Het Uwv had op grond van een looncontrole correctie- en boetebesluiten opgelegd die door appellante werden bestreden.

De Raad overwoog dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig waren: gezagsverhouding, persoonlijke dienstverrichting en loonbetaling. Ondanks dat betrokkenen hun werkzaamheden met zelfstandigheid verrichtten en weinig werkgeversgezag werd uitgeoefend, was er wel degelijk een organisatorisch kader en een mogelijkheid tot aanwijzingen door appellante. De ongelijke aandelenverhouding en het ontbreken van een gelijkwaardige positie maakten dat er geen sprake was van een gezamenlijke onderneming.

De Raad verwierp het verweer van appellante dat de statutaire bepalingen en aandeelhoudersverhoudingen een andere conclusie rechtvaardigden. Ook werd geoordeeld dat de boetenota voldoende was gemotiveerd, mede door eerdere vooraankondigingen en toelichtingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en handhaaft de opgelegde boete.

Uitspraak

06/5874 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 augustus 2006, 05/2229 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 22 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante is een pleitnota ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 25 oktober 2007, waar partijen -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding.
De activiteiten van appellante, formeel opgericht op 1 april 2003, bestaan uit het verrichten van diensten op het gebied van organisatieadviezen, financieel economische advisering, personeelsmanagement en specifieke projecten in de ruimste zin van het woord. [Appellante], met als beherend vennoot [naam vennoot], bezit 60% van de aandelen van appellante, terwijl [naam B.V.]. 40% van de aandelen van appellante bezit. De aandelen van deze vennootschap zijn gelijkelijk verdeeld onder de persoonlijke vennootschap van [naam vennoot 2], [B.V. 2] en de persoonlijke vennootschap van [vennoot 3], [naam Holding]
De statutaire bestuurder van appellante is [naam vennoot] via [B.V. 4] Op 19 april 2004 is [naam vennoot 2] overleden, terwijl [vennoot 3] per 1 mei 2006 (indirect) 100% aandeelhouder van appellante is geworden.
Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft het Uwv voor [naam vennoot 2] en [vennoot 3] (hierna: betrokkenen) verzekeringsplicht aangenomen, primair op grond van artikel 3 van Pro de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en subsidiair op grond van artikel 5 van Pro voornoemde wetten in samenhang met artikel 5 van Pro het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stcrt. 1986, 655. Bij besluiten van 24 en 27 mei 2005 heeft het Uwv een correctie- en een boetnota over 2003 opgelegd. Bij besluit van 4 november 2005 heeft het Uwv de door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in 2003 sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en elk der betrokkenen en daarmee verzekeringsplicht in de zin van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten. Ten aanzien van de opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat het door het Uwv toegepaste stelsel, waarbij de hoogte van de boete is gerelateerd aan de hoogte van de over het jaar, waarop de opgave betrekking heeft, verschuldigde premie, in beginsel in voldoende mate voorziet in een afstemming van de op te leggen boete met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het gesanctioneerde handelen of nalaten. De rechtbank heeft in de feiten en omstandigheden van dit geval geen aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken.
Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe -kort weegegeven- aangevoerd dat de rechtbank deze kwestie op een onjuiste wijze heeft benaderd aangezien de rechtbank concludeert dat gesteld is dat de onderneming gezamenlijk gedreven is, maar dat zulks niet uitsluit dat de statutaire bepalingen overheersen. Naar de mening van appellante verwisselt de rechtbank de formele en materiële toetsing en is de gegeven redenering onjuist aangezien het hier een uitzonderingssituatie betreft. Met betrekking tot de opgelegde boete is appellante van mening dat niet is voldaan aan het motiveringsvereiste.
De Raad overweegt het volgende.
Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstbetrekking en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn. Derhalve heeft het Uwv terecht op grond van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringen verzekeringsplicht ten aanzien van de door betrokkenen verrichte werkzaamheden aangenomen.
Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn jurisprudentie sprake is indien door de vermeende werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. In een situatie als de onderhavige waarin de werkzaamheden behoren tot de kernactiviteiten van appellante, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van degene die deze werkzaamheden uitvoert niet aannemelijk is. Daarbij speelt naar het oordeel van de Raad een rol dat onder verantwoordelijkheid van appellante en binnen een door haar geschapen organisatorisch kader de werkzaamheden werden verricht. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellante werkgeversgezag over betrokkenen kon uitoefenen al heeft zich dat in de praktijk nauwelijks voorgedaan en hebben appellante en betrokkenen dat niet als zodanig ervaren. Dat betrokkenen hun werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid verrichtten, past bij de aard van hun functies en doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van appellante om opdrachten en aanwijzingen te geven indien dat nodig was.
Het feit dat betrokkenen als werknemers van appellante gelet op de hoogte van hun verdiensten in samenhang met het bepaalde in artikel 15, derde lid, sub m, van de statuten van appellante, slechts door de algemene vergadering van aandeelhouders konden worden ontslagen doet aan het voorgaande niet af. Ten aanzien daarvan benadrukt de Raad dat, indien een aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende stem heeft op zijn benoeming, schorsing en -in het bijzonder- zijn ontslag, in beginsel moet worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap.
De visie van appellante dat er gelet op het scala van materiële indicaties sprake is van een gezamenlijke onderneming maakt de Raad niet tot de zijne, in aanmerking genomen in het bijzonder de zeer ongelijke aandelenverhouding binnen appellante, waarbij [Appellante] 60% van de aandelen bezit en betrokkenen -niet zijnde bestuurders van appellante- ieder 20%. Naar het oordeel van de Raad staan desbetreffende partijen in dit geval niet in een gelijkwaardige, of nagenoeg gelijkwaardige verhouding tot elkaar, die het aannemelijk maakt dat hier sprake kan zijn van het drijven van een gezamenlijke onderneming.
Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat betrokkenen de werkzaamheden steeds persoonlijk hebben verricht en dat niet is gebleken dat zij zich hebben laten vervangen. De Raad tekent daarbij aan dat de persoonlijke kennis en kwaliteiten van betrokkenen gelet op de aard van de werkzaamheden een rol hebben gespeeld bij hun aanstelling. Dit blijkt eveneens uit de gesloten managementovereenkomst waarin is opgenomen dat de met naam aangewezen persoon de activiteiten zal verrichten.
Voorts kan de Raad de overeengekomen managementvergoeding niet anders beschouwen dan als contraprestatie voor het verrichten van arbeid.
Ten aanzien van de grief dat het de boetenota ontbeert aan een deugdelijke motivering merkt de Raad op dat appellante, gelet op de in het looncontrolerapport gemaakte opmerking van de gemachtigde van appellante, zich er van bewust was dat er sprake was van verzekeringsplichtige dienstbetrekkingen, dat voorafgaand aan de boeteoplegging op
15 april 2005 een vooraankondiging oplegging bestuurlijke boete aan appellante is verzonden en dat op 25 mei 2005 de toelichting op de correctie-boetenota 2003 aan appellante is verzonden. De Raad is dan ook van oordeel dat met name met de op 25 mei 2005 gegeven toelichting de boetenota van 27 mei 2005 ruimschoots voldoende is gemotiveerd.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Badermann.
IJ