ECLI:NL:CRVB:2007:BB9069

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-90 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant verzocht om een WAO-uitkering, die door het UWV werd geweigerd op grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant geschikt was voor bepaalde functies die overeenkomen met zijn belastbaarheid.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn belastbaarheid was overschat en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met het gebruik van Temazepam en overschrijdingen van normaalwaarden volgens het CBBS. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de conclusies juist waren.

De Raad stelde vast dat appellant de werkzaamheden van de voor hem geselecteerde functies kon verrichten, waarbij geen overschrijdingen van normaalwaarden op relevante aspecten waren. De klacht over concentratie-eisen in een functie werd verworpen omdat appellant onvoldoende onderbouwing gaf.

De Raad concludeerde dat appellant 0% arbeidsongeschikt was en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/90 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 november 2005, 05/2195 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Namens appellant is verschenen mr. Van Willigen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 december 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 28 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, onder de overweging dat appellant op die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is. Bij besluit van 11 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 december 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat appellant op de datum in geding in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid en tevens dat de geduide functies voor hem geschikt moeten worden geacht.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn belastbaarheid door het Uwv is overschat en dat de geduide functies niet passend zijn. Voorts is naar voren gebracht dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gebruik door appellant van het geneesmiddel Temazepam en dat de zogeheten normaalwaarden ingevolge het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in een aantal functies fors worden overschreden.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht op de zaak werpen.
Met betrekking tot het arbeidskundige deel van de onderhavige schatting overweegt de Raad als volgt.
Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden, behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies operator chemische en kunststofverwerkende industrie (SBC-code 271122) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) niet zou kunnen verrichten. De Raad stelt vast dat in die functies geen sprake is van overschrijdingen van de zogeheten normaalwaarden op aspecten, waarop appellant geen beperkingen met betrekking tot zijn belastbaarheid kent, en dat de in die functies voorkomende niet-matchende aspecten door het Uwv in voldoende mate zijn toegelicht.
Met betrekking tot de grief van appellant dat de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) voor hem niet geschikt zou zijn vanwege de eisen die daarin worden gesteld op het gebied van concentratie is de Raad van oordeel dat geconcentreerd werken in die functie, waarbij het gaat om het verrichten van routinematige handelingen met zeer kleine onderdelen in een voorspelbare werksituatie, niet valt te vergelijken met het punt “concentreren van de aandacht” in de voor appellant geldende zogeheten kritische Functionele Mogelijkheden Lijst van 22 november 2004, volgens welk punt appellant beperkt is in die zin dat hij zich niet langer dan een half uur kan concentreren op één informatiebron (krant, actualiteitenprogramma op radio of tv). Nu appellant niet op enigerlei wijze – hetzij medisch, hetzij psychologisch – heeft onderbouwd waarom beide soorten concentratie zijns inziens op één lijn moeten worden gesteld, gaat de Raad aan die grief voorbij.
Gelet op het vorenstaande resteren drie functies, welke aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd. Vergelijking van het voor appellant geldende maatmaninkomen met het loon dat appellant nog kan verdienen met de voor hem passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%.
De Raad kan en zal de grieven tegen de overige functies daarom buiten bespreking laten.
De Raad verwijst ten slotte naar zijn - ook ter zitting van de Raad door de vertegenwoordiger van het Uwv genoemde - uitspraak van 28 augustus 2007, LJN: BB2542, waarin hij onder meer als zijn oordeel heeft gegeven dat de eis van een voor elke schatting geldende, uitgebreide motiveringsplicht bij overschrijdingen van de normaalwaarde op een aspect waarop een verzekerde niet beperkt is, te ver gaat en ook niet is aangewezen op grond van de jurisprudentie van de Raad over schattingen met behulp van het CBBS.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
JL