ECLI:NL:CRVB:2007:BB9165

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1373 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid

Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin zijn WAO-uitkering werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% met ingang van 23 februari 2004. Hij stelde dat hij op medische gronden geen arbeid kon verrichten en aanspraak maakte op een uitkering gebaseerd op een hogere mate van arbeidsongeschiktheid, namelijk 80 tot 100%.

De Raad overwoog dat appellant dit standpunt niet had onderbouwd met medische gegevens. De beschikbare medische informatie bood voldoende steun om te oordelen dat appellant op de genoemde datum in staat was tot arbeid volgens de door het UWV vastgestelde belastbaarheid. De Raad hechtte geen waarde aan de niet-medisch onderbouwde mening van appellant over zijn gezondheidstoestand.

Verder merkte de Raad op dat de functies waarop de schatting van arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren. De Raad zag geen reden om af te wijken van de aangevallen uitspraak en gaf geen toepassing aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% wordt bevestigd.

Uitspraak

05/1373 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 januari 2005, 04/1040 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Mr. A.J. Crombag, destijds advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. M.M.J.P.Penners, advocaat te Sittard, heeft bij brief van 30 augustus 2006 de Raad medegedeeld voortaan als gemachtigde van appellant op te treden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 26 juni 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Het Uwv heeft desgevraagd bij een op 11 juli 2007 ter griffie van de Raad ingekomen schrijven een toelichting verstrekt en daartoe een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald overgelegd.
Op de inhoud van dat rapport heeft mr. Penners bij een op 14 augustus 2007 ter griffie van de Raad ingekomen schrijven gereageerd.
Bij brief van 16 oktober 2007 heeft appellant een nader rapport van 5 oktober 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het bestreden besluit gewijzigd in dier voege dat appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 februari 2004 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Alleen deze wijziging wordt door appellant in hoger beroep aangevochten.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op medische gronden geen arbeid kan verrichten en dat hij daarom met ingang van de hiervoor genoemde datum aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, althans een hoger percentage dan 35 tot 45%.
De Raad overweegt dat appellant in hoger beroep dit standpunt niet heeft onderbouwd met medische gegevens.
De Raad is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellant op 23 februari 2004 op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht tot arbeid overeenkomstig de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid.
De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant en zijn gemachtigde daaraan gehecht willen zien.
Bezien bij het licht van zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN: BA2955 acht de Raad de functies die thans aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht geschikt.
De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
JL