ECLI:NL:CRVB:2007:BB9171

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-774 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens ontbreken gronden

Appellante maakte bezwaar tegen correctienota’s en boetes van het UWV over meerdere jaren. Het UWV verzocht om binnen twee weken een schriftelijke machtiging en binnen vier weken de gronden van het bezwaar in te dienen. Hoewel een machtiging werd ontvangen, werden de gronden niet binnen de gestelde termijn ingediend.

Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb Pro wegens het ontbreken van de bezwaargronden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen reden was de termijn te verlengen of het bezwaar toch ontvankelijk te verklaren. Ook het beroep op beleidsregels van het Ministerie van Financiën werd afgewezen.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde dat het bezwaarschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro. Het beroep van appellante werd verworpen, en de niet-ontvankelijkverklaring bleef in stand. Er werd geen aanleiding gezien om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

07/774 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2006, 05/9175 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 25 oktober 2007, waar partijen -het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.
Bij besluiten van 19 augustus 2005 heeft het Uwv aan appellante correctienota’s premies werknemersverzekeringen opgelegd over de jaren 2000, 2001 en 2003. Voorts zijn bij besluiten van 22 augustus 2005 aan appellante over de jaren 2000 tot en met 2003 boetes opgelegd.
Tegen de besluiten van 19 en 22 augustus 2005 is namens appellante door drs. P.L. Varekamp, werkzaam bij PMV Belastingadviseurs B.V. te Rijswijk bij brief van 5 september 2005 bezwaar gemaakt.
Bij aangetekend verzonden brief van 14 september 2005 heeft het Uwv de gemachtigde van appellante verzocht om binnen 2 weken een schriftelijke machtiging te overleggen en om binnen vier weken de gronden van het bezwaar in te dienen. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat indien appellante niet binnen de gestelde termijnen reageert het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
Op 26 september 2005 heeft het Uwv een schriftelijke machtiging ontvangen.
Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft het Uwv het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard waarbij de rechtbank heeft overwogen dat appellante niet gevolgd kan worden in haar opvatting dat de termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar verlengd had moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het beroep op een voorschrift dat ziet op beleidsregels van het Ministerie van Financiën niet op aangezien het Uwv daaraan niet gebonden is, terwijl van omstandigheden op grond waarvan appellante niet kan worden verweten niet binnen de gestelde termijn de bezwaargronden te hebben ingediend, niet is gebleken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat geen grond bestaat voor de opvatting van appellante dat het Uwv, bij het uitblijven van de in het vooruitzicht gestelde bezwaargronden, als gronden had dienen aan te merken hetgeen appellante naar aanleiding van het controlerapport heeft opgemerkt. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de stelling van appellante, te weten dat niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift niet kan plaatsvinden ingeval sprake is van het opleggen van boetes, geen steun vindt in het recht en dat er geen grond bestaat voor de opvatting van appellante dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
De Raad stelt allereerst vast dat het bezwaarschrift van 5 september 2005 niet de gronden van het bezwaar bevat, dat appellante bij brief van 14 september 2005 in de gelegenheid is gesteld de gronden van het bezwaar in te dienen en dat geen bezwaargronden zijn ingediend. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank en overweegt dat hetgeen namens appellante hieromtrent in hoger beroep is aangevoerd in essentie een herhaling is van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht en door de rechtbank terecht gemotiveerd is verworpen.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Badermann.
IJ221107