ECLI:NL:CRVB:2007:BB9181

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-959 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft haar werkzaamheden in 1994 gestaakt wegens klachten gerelateerd aan een whiplashtrauma. Vanaf 1995 ontving zij een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het UWV trok deze uitkering in 2004 in met ingang van april 2005, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar van appellante tegen deze intrekking werd door het UWV ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten zoals nekpijn, hoofdpijn, concentratiezwakte en tempogevoeligheid haar verhinderen fulltime te werken en dat zij daarom nog steeds voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. De Raad volgde echter de rechtbank in het oordeel dat de medische beperkingen niet te laag waren vastgesteld en dat de verzekeringsartsen rekening hielden met haar klachten bij het bepalen van haar functionele mogelijkheden.

De Raad concludeerde dat appellante, ondanks haar klachten en behandelingen, in staat was om de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. Ook ontbraken objectieve medische gegevens die duidden op beperkingen voor duurbelasting. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

06/959 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 januari 2006, 05/1554 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft G.S. Harm, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 29 augustus 2006 heeft mr. M.G.M. Reinaerts zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Wardenburg.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft op 22 november 1994 haar werkzaamheden als productiemedewerkster gestaakt met klachten in verband met een whiplashtrauma als gevolg van een aanrijding.
Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 21 november 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 24 april 2005 ingetrokken onder overweging dat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij het thans bestreden besluit van 22 juli 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 24 februari 2004 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op de datum in geding weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat als gevolg van haar klachten van nekpijn, hoofdpijn, concentratiezwakte en tempogevoeligheid, waarvoor appellante tweemaal per week fysiotherapeutisch behandeld wordt, zij niet in staat is full-time te werken en dat zij onveranderd voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO dient te worden beschouwd.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellantes klachten en met deze klachten ook rekening gehouden hebben bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden van appellante.
De Raad is al met al van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellante op de datum in geding, gelet op het geheel van haar gezondheidsklachten en beperkingen, in staat was de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar overweging dat appellante voor het overige ook geen objectieve medische gegevens heeft overlegd die erop wijzen dat zij voor duurbelasting beperkt is.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL