ECLI:NL:CRVB:2007:BB9186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3546 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% zonder medische urenbeperking

Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met diverse klachten, waaronder hoofdpijn en rugklachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%, waarbij werd vastgesteld dat hij beperkt is voor extreem zware arbeid maar de geselecteerde functies kan vervullen.

De rechtbank oordeelde dat er geen medische indicatie was voor een urenbeperking en dat appellant de geselecteerde functies medisch gezien kan uitvoeren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een medische urenbeperking op zijn plaats was, maar leverde geen nieuwe medische onderbouwing.

De Raad achtte de lange duur van de procedure niet nadelig voor appellant en vond geen aanleiding het eerdere oordeel te herzien. De Raad bevestigde het besluit en stelde vast dat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet is onderschat zolang geen medische urenbeperking noodzakelijk is.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een WAO-uitkering van 15 tot 25% zonder medische urenbeperking.

Uitspraak

06/3546 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2006, 04/6467 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.G. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk gedurende 38 uur per week als schoonmaker werkzaam in de nachtdienst op de luchthaven Schiphol. Op 6 januari 1997 heeft hij zich ziek gemeld wegens hoofdpijn, duizeligheidsklachten, gewichtsverlies en misselijkheid. Voorts had appellant rugklachten. Bij het bestreden besluit van 15 november 2004 heeft het Uwv het besluit van 30 januari 2003 gehandhaafd waarbij hem met ingang van 5 januari 1998, na ommekomst van de destijds wettelijke wachttijd van 52 weken, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarbij is het standpunt ingenomen dat appellant weliswaar beperkt is voor extreem zware arbeid, maar in staat moet worden geacht met inachtneming van zijn beperkingen de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat er geen sprake is van een onzorgvuldige medische oordeelsvorming en dat in de voorhanden zijnde medische gegevens geen enkele medische indicatie is aangetroffen voor een urenbeperking zoals appellant had verzocht. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant in medisch opzicht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies moet kunnen vervullen, omdat daarin de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid niet wordt overschreden. Daarop is het besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant, zonder de overigens door hem in het hoger beroepschrift in het vooruitzicht gestelde medische onderbouwing in te zenden, opnieuw betoogd dat een medische urenbeperking op zijn plaats is en heeft hij opgemerkt zijn bedenkingen te houden tegen de arbeidskundige kant, mede gelet op het door de arbeidsdeskundige berekende arbeidsongeschiktheidspercentage van 24,02.
Hetgeen in hoger beroep met betrekking tot de urenbeperking is aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en door de rechtbank op goede gronden is verworpen. De Raad verenigt zich derhalve met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
Ter zitting heeft appellants gemachtigde gemeld dat, hoe hij ook rekent, het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 25 bedraagt als een medische urenbeperking niet noodzakelijk zou zijn. Gelet hierop stelt de Raad vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat in dat geval met de indeling van appellant in de klasse 15 tot 25% de mate van zijn arbeidsongeschiktheid niet is onderschat.
De lange duur van de behandeling van appellants aanvraag tot toekenning van een WAO-uitkering en van de daarop gevolgde bezwaarprocedure is de Raad niet ontgaan. Dienaangaande verenigt de Raad zich geheel met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, te weten dat gesteld noch gebleken is dat appellant hierdoor op zichzelf nadeel heeft ondervonden.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
TM