ECLI:NL:CRVB:2007:BB9188

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2951 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen functie

Appellante, werkzaam als bemiddelaar alfahulpverlening, ontving sinds 17 juli 2003 een WAO-uitkering wegens nek- en schouderklachten. Het UWV trok deze uitkering per 7 maart 2005 in, omdat uit medisch onderzoek bleek dat zij geschikt was haar eigen functie volledig te vervullen. De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waaruit bleek dat ondanks beperkingen, appellante haar werk kon uitvoeren. De arbeidsdeskundige bevestigde dit door het werk van appellante te vergelijken met haar beperkingen.

Appellante voerde aan dat haar psychische en lichamelijke klachten onderschat waren en dat de FML onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep vonden echter onvoldoende aanknopingspunten voor onzorgvuldigheid in het medisch onderzoek of een onjuiste inschatting van de beperkingen.

De Raad overwoog dat geschiktheid voor het eigen werk geen arbeidsongeschiktheid impliceert en dat het eigen werk op de datum van het besluit voor appellante beschikbaar was. Het standpunt van appellante dat het UWV de beschikbaarheid van haar functie op de arbeidsmarkt had moeten onderzoeken, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante geschikt is haar eigen functie volledig uit te oefenen.

Uitspraak

06/2951 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 april 2006, 05/3267 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J. den Braber, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde drs. J.C. van Beek, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.
II. OVERWEGINGEN
Op 18 juli 2002 is appellante met nek- en schouderklachten uitgevallen in haar werk als bemiddelaar alfahulpverlening bij de Stichting Thuiszorg Den Bosch.
Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan haar met ingang van 17 juli 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het Uwv appellantes WAO-uitkering met ingang van 7 maart 2005 ingetrokken onder overweging dat appellante geschikt moet worden geacht haar eigen functie in volle omvang uit te oefenen.
De medische grondslag van het besluit berust op het onderzoek van verzekeringsarts C.A. Vervoordeldonk die blijkens haar rapport van 7 januari 2005 de conclusie gerechtvaardigd achtte dat bij appellante verminderde mogelijkheden tot functioneren bestaan conform de door haar opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar niet uitsloot dat appellante, met inachtneming van deze beperkingen, geschikt zou zijn voor haar eigen werk.
De verzekeringsarts heeft vervolgens het dossier ter beoordeling overgedragen aan de arbeidsdeskundige.
De arbeidsdeskundige M.C.R.E. Meijer heeft, blijkens haar rapport van 18 januari 2005, het eigen werk besproken met appellante en navraag gedaan bij de werkgever over de aard en omvang van appellantes werkzaamheden en deze vervolgens vergeleken met de beperkingen van appellante bij het functioneren volgens de door de verzekeringsarts opgestelde FML en heeft aan dit onderzoek de conclusie verbonden dat appellante volledig geschikt is voor het eigen werk en dat een theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid derhalve niet van toepassing is.
Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige hebben vervolgens de primaire bevindingen onderschreven.
Bij het thans bestreden besluit van 2 september 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 8 februari 2005 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat ze zich niet kan verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante heeft meerdere psychische en lichamelijke klachten. Appellante blijft van mening dat haar klachten zijn onderschat en dat de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende beperkingen in de FML hebben aangenomen. Appellante acht zich niet in staat tot het verrichten van de werkzaamheden behorende bij haar functie als alfahulp bemiddelaar.
De Raad overweegt als volgt.
Met de rechtbank en met overneming van haar overwegingen dienaangaande heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet op een zorgvuldige wijze uitgevoerd is en dat in de opgestelde FML onvoldoende rekening gehouden is met appellantes arbeidsbeperkingen.
Voorts is de Raad van oordeel dat in het rapport van arbeidsdeskundige Meijer voldoende mate inzichtelijk gemaakt wordt dat deze een duidelijk beeld had van de aard en zwaarte van de eigen werkzaamheden van appellant en in afdoende mate gemotiveerd heeft waarom deze werkzaamheden passen binnen de door de verzekeringsarts in de FML aangegeven mogelijkheden van appellante.
Krachtens vaste jurisprudentie van de Raad geldt als hoofdregel dat geschiktheid voor het eigen werk geen arbeidsongeschiktheid doet veronderstellen. Uit de stukken valt voorts niet te ontlenen dat het eigen werk van appellante op de datum in geding voor haar niet meer beschikbaar was, zodat de Raad appellantes standpunt dat het Uwv de aanwezigheid van de eigen functie op de Nederlandse arbeidsmarkt diende te onderzoeken niet kan volgen.
Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL