ECLI:NL:CRVB:2007:BB9190

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1414 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid 45-55%

Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het besluit van het UWV werd bevestigd om de WAO-uitkering te herzien en de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen op 45 tot 55% per 24 februari 2005. De rechtbank had geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant maximaal vier uur per dag, vijf dagen per week, arbeid kon verrichten. Ook werd het besluit ondersteund door een toereikende arbeidskundige grondslag.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de functies van acquisiteur en verkoper groothandel niet passend waren gemotiveerd, dat het maximale aantal werkuren van 20 per week leidt tot piekbelasting, en dat opstartproblemen in de ochtend onvoldoende werden meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst. Tevens stelde appellant dat de beoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige niet voldeed aan de eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid.

Het UWV verweerde zich met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, die stelde dat het door appellant genoemde constant pieken niet was waargenomen en dat opstartproblemen eenvoudig konden worden ondervangen door aanpassing van het slaapritme. De Raad onderschreef dit standpunt en wees erop dat de werkzaamheden volgens het CBBS-systeem juist waren beschreven. Ook werd benadrukt dat de geschikte functies maximaal vier uur per dag omvatten en dat de functie acquisiteur uitsluitend in de middaguren wordt vervuld, waardoor opstartproblemen minder relevant zijn.

De Raad verwierp de kritiek op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige en erkende de hinder die appellant ondervindt door het permanent stoma, maar achtte dit niet belemmerend voor het verrichten van arbeid binnen de gestelde beperkingen. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Uitspraak

06/1414 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2006, 05/3114 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
In rubriek 2 van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een uitvoerig overzicht gegeven van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. De Raad verwijst daarnaar en volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het op bezwaar genomen en thans bestreden besluit van 28 juni 2005 de herziening per 24 februari 2005 heeft gehandhaafd van de laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering. Per deze datum is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant gesteld op 45 tot 55%.
De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheid berust op zorgvuldig onderzoek en dat er geen reden is om appellant ernstiger beperkt te achten in het aantal uren dat hij kan werken dan het bij het bestreden besluit aangenomen aantal van vier uur per dag, vijf dagen per week. Ook is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een toereikende arbeidskundige grondslag berust. Daarop is het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat de bezwaararbeidsdeskundige en de rechtbank onvoldoende hebben gemotiveerd waarom de functies van acquisiteur en verkoper groothandel voor appellant passend zijn. Appellant heeft erop gewezen dat hij maximaal 20 uur per week mag werken en dat het later inhalen van werk niet mogelijk is en dit tot gevolg heeft dat tijdens de 20-urige werkweek op dat moment een piek ontstaat of dat hij constant moet pieken. Voorts is aangevoerd dat ten onrechte in de functionele mogelijkhedenlijst geen beperking is opgenomen met betrekking tot het aanvangstijdstip van de arbeid, terwijl de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van bij appellant bestaande opstartproblemen melding maakt. Ten slotte is aangevoerd dat de beoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige niet voldoet aan de door de Raad in zijn jurisprudentie gestelde eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.
Bij verweerschrift heeft het Uwv, mede onder verwijzing naar het rapport van 25 juni 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer, hierop gereageerd in die zin dat bij het beschrijven van de functies acquisiteur en verkoper groothandel door de arbeidsdeskundige analist het door appellant gestelde constant pieken niet is waargenomen en dat sprake is van een veronderstelling. Met betrekking tot de opstartproblemen in de ochtend heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant deze eenvoudig kan ondervangen door een ’s-avonds een uur eerder naar bed te gaan, waardoor hij ’s morgens een uur eerder kan opstaan. Niet valt in te zien, aldus het Uwv, waarom niet van appellant kan worden gevergd dat hij bepaalde maatregelen neemt teneinde het er toe te leiden dat hij op tijd op het werk verschijnt.
De Raad onderschrijft dit betoog. Zoals de Raad eerder tot uitdrukking heeft gebracht, moet in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van de kenmerkende belasting van de werkzaamheden zoals deze in systemen als het CBBS zijn opgenomen. Hetgeen appellant met betrekking tot de functies van acquisiteur en verkoper groothandel heeft aangevoerd biedt bij het licht van evenvermelde reactie van het Uwv onvoldoende houvast om daar niet van uit te gaan. Met betrekking tot de bij appellant bestaande opstartproblemen wijst de Raad er voorts op dat uit de zich onder de stukken bevindende arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat in de geschikt geachte functies tot een maximum van vier uur per dag wordt gewerkt, dat het merendeel van de functies ook in de middaguren kan worden vervuld en dat voor de functie acquisiteur geldt dat daarin uitsluitend in de middaguren wordt gewerkt. Aldus kan aan het bestaan van startproblemen in de ochtend niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien.
De kritiek van appellant gericht op de rapportage van 25 juni 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige deelt de Raad niet, nu daarin de (on)geschiktheid van de in aanmerking genomen functies voldoende is toegelicht.
Hoewel uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt betekent dit niet dat de Raad geen oog heeft voor de problemen en de hinder die appellant als gevolg van het bij hem aangelegde permanent stoma ondervindt. Die staan er evenwel, naar in het voorgaande ligt besloten, niet aan in de weg dat appellant met inachtneming van de daarmee samenhangende medische beperkingen arbeid verricht.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
TM