ECLI:NL:CRVB:2007:BB9191

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1356 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 procent

Appellante viel op 18 september 2003 uit voor haar werk als cateringsmedewerker. Het UWV kende haar op 15 september 2004 een WAO-uitkering toe, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellante maakte bezwaar tegen deze toekenning, stellende dat haar beperkingen werden onderschat en zij de voorgestelde functies niet kon vervullen. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond, met het standpunt dat appellante ondanks haar beperkingen geschikt was voor de geselecteerde functies.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad acht de beschikbare gegevens voldoende om te concluderen dat appellante in staat is de voorgehouden functies te vervullen, mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts die geen aanleiding zag af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts.

De Raad ziet geen reden om een onafhankelijk deskundige te benoemen en wijst het hoger beroep af. Er zijn geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de WAO-uitkering op basis van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid blijft van kracht.

Uitspraak

06/1356 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2006, 05/957 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Namens appellante is verschenen mr. Boomstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.G. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Op 18 september 2003 is appellante uitgevallen voor haar werk als cateringsmedewerker.
Bij besluit van 15 september 2004 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 10 september 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij het thans bestreden besluit van 6 april 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 15 september 2004 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is, kort weergegeven, gesteld, en appellante heeft dit in hoger beroep herhaald, dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven
Ook de Raad is al met al van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellante op de datum in geding, gelet op het geheel van haar gezondheidsklachten en beperkingen in staat was de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen
De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapport van 23 december 2004 de in de bezwaarfase van de besluitvorming ontvangen onderzoeksgegevens van de behandelende sector in haar heroverweging heeft betrokken en daarin gemotiveerd geen aanleiding heeft gezien af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts.
Gezien het vorengemelde acht de Raad zich voldoende voorgelicht omtrent de voor appellante geldende arbeidsbeperkingen en ziet hij geen aanleiding om aan het verzoek van appellante te voldoen om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL