ECLI:NL:CRVB:2007:BB9253

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7371 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek hardheidsclausule OV-studentenkaart wegens langere reistijd openbaar vervoer

Appellant verzocht op 10 oktober 2005 om toepassing van de hardheidsclausule voor de OV-studentenkaart, omdat zijn reisduur per openbaar vervoer tussen zijn woonadres en de onderwijsinstelling aanzienlijk langer was dan met eigen vervoer. De IB-Groep wees dit verzoek bij besluit van 13 januari 2006 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 27 maart 2006. De rechtbank Zwolle bevestigde deze beslissing en oordeelde dat het beleid binnen redelijke grenzen blijft en niet onredelijk is.

In hoger beroep stelde appellant dat het redelijkheidsoordeel ontbrak en dat reizen per openbaar vervoer hem sociaal en qua nachtrust benadeelde. Hij verwees naar jurisprudentie waarin het redelijkheidcriterium werd gehanteerd. De Raad overwoog dat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met de aangehaalde jurisprudentie, omdat er geen omslachtige reisroute is en het feit dat eigen vervoer sneller is, onvoldoende is voor een uitzondering.

De Raad concludeerde dat er geen gronden zijn om af te wijken van het beleid en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door J. Janssen en uitgesproken op 26 november 2007.

Uitkomst: Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule OV-studentenkaart wordt afgewezen vanwege onvoldoende gronden voor een uitzondering op het beleid.

Uitspraak

06/7371 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 27 november 2006, kenmerk 06/1096 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 26 november 2007
I. PROCESVERLOOP
[t. W.], wonende te [woonplaats], heeft namens appellant hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft op 10 oktober 2005 een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule OV-studentenkaart ingediend in verband met de lange duur van de reis per openbaar vervoer tussen zijn woonadres te [woonplaats] en de onderwijsinstelling te Driebergen.
Dit verzoek is door de IB-Groep bij besluit van 13 januari 2006 afgewezen.
De IB-Groep heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 januari 2006 bij besluit van 27 maart 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant valt niet onder een van de in de Beleidsregel Toepassing hardheidsclausule aanvullende voorziening OV-studentenkaart van 16 augustus 2005 voorziene situaties en er zijn geen redenen om voor appellant een uitzondering op het beleid te maken.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het in genoemde Beleidsregel neergelegde beleid blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling en dat dit beleid ook anderszins niet onjuist of kennelijk onredelijk is te achten. Er doen zich naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden voor die nopen tot het maken van een uitzondering op de beleidsregel.
Appellant heeft in hoger beroep kort samengevat aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat op geen enkele wijze blijkt of is beoordeeld of aan het "redelijkheidscriterium" is voldaan zoals dat in de jurisprudentie (uitspraak van de rechtbank Assen van 5 juli 2001, LJN: AE2207) is geformuleerd; dat het objectief bezien volstrekt logisch is dat met eigen vervoer wordt gereisd vanwege de te realiseren aanzienlijke tijdsbesparing; dat reizen per openbaar vervoer leidt tot dermate weinig resterende tijd dat geen sociaal leven resteert, terwijl er ook onvoldoende tijd blijft voor nachtrust; en dat in redelijkheid in deze situatie niet kan worden gevraagd met het openbaar vervoer te reizen.
Het beroep van appellant op de uitspraak van de rechtbank Assen (lees: Groningen), gepubliceerd onder nummer LJN: AE2207, treft geen doel. In die zaak ging het om het oprekken van het begrip 'dichtstbijzijnde halte van het openbaar vervoer' in combinatie met een omslachtige, zeer langdurige reis per openbaar vervoer. In het geval van appellant is noch het een, noch het ander aan de orde. Appellant is wel geruime tijd onderweg als hij met openbaar vervoer naar de onderwijsinstelling zou reizen, van een omslachtige reisroute is, gelet op de in het dossier aanwezige 9292OV-informatie, geen sprake. Het feit dat de reis per eigen vervoer minder tijd kost dan per openbaar vervoer is op zichzelf onvoldoende om voor appellant een uitzondering op het beleid te maken.
Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
TM