ECLI:NL:CRVB:2007:BB9258

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7397 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling juiste woonadres voor studiefinanciering en adreswijziging aan IB-Groep

De zaak betreft een geschil over de omzetting van een uitwonendenbeurs naar een thuiswonendenbeurs vanwege een verschil tussen het woonadres dat betrokkene aan de IB-Groep had doorgegeven en het adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). De IB-Groep had betrokkene gewaarschuwd dat bij uitblijven van correctie binnen vier weken de beurs zou worden aangepast. Betrokkene reageerde niet tijdig, waarna de beurs werd aangepast en betrokkene bezwaar maakte.

De rechtbank Arnhem oordeelde dat betrokkene het juiste adres had doorgegeven en verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval vergoeding van griffierecht. De IB-Groep stelde hoger beroep in en voerde aan dat het versturen van post naar het GBA-adres niet betekent dat betrokkene haar adreswijziging aan de IB-Groep had doorgegeven.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat studerenden zelf verantwoordelijk zijn voor het tijdig doorgeven van adreswijzigingen aan de IB-Groep, ook al beschikt de IB-Groep over GBA-gegevens. Betrokkene had kunnen en moeten reageren op de waarschuwing. Daarom wordt het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitspraak

06/7397 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 november 2006, kenmerk 06/1227 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene]
en
appellante
Datum uitspraak: 26 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij schrijven van 14 januari 2006 heeft de IB-Groep aan appellante meegedeeld dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat zij aan de IB-Groep heeft doorgegeven ([adres 1]) in de maand december 2005 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2]). Betrokkene is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm van een uitwonende studerende met ingang van december 2005 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Appellante heeft niet binnen vier weken gereageerd. Vervolgens heeft de IB-Groep bij besluiten van 10 maart 2006 (Bericht Studiefinanciering 2005, nr. 4 en Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 3) de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van december 2005 omgezet in een beurs naar de norm van een thuiswonende.
Tegen deze besluiten heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aangevoerd dat er het een en ander is misgegaan met het doorgeven van haar nieuwe adres waar zij sinds november 2005 woont. Zij heeft haar adres, zo stelt zij, in de tijd dat zij gewaarschuwd werd, via internet veranderd van de [adres 1] naar de [adres 2]. Zij was in de veronderstelling dat dit geregeld was, omdat zij ook post van de IB-Groep naar de [adres 2] gestuurd kreeg.
Appellante heeft het bezwaar bij besluit van 1 mei 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat betrokkene de discrepantie tussen het opgegeven woonadres en het GBA-adres niet binnen vier weken heeft opgeheven, terwijl niet is gebleken dat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zij niet hoefde te reageren op de brief van 14 januari 2006.
De rechtbank heeft overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat het door betrokkene aan de IB-Groep verstrekte woonadres op 1 december 2005 '[adres 2]' was, nu appellante zowel een 'Bericht Tegemoetkoming scholieren' van 7 december 2005 als een brief van 7 december 2005 met haar nieuwe wijzigingscode 'Mijn IB-Groep' naar het adres [adres 2] heeft gezonden. Per 1 december voldeed betrokkene derhalve naar het oordeel van de rechtbank aan de in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) gestelde voorwaarde dat het door de studerende aan de IB-Groep verstrekte adres overeenstemt met de GBA-registratie. De rechtbank heeft het beroep dan ook gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met de opdracht aan appellante om nader op het bezwaar van betrokkene te beslissen met inachtneming van haar uitspraak en de opdracht aan de IB-Groep om het griffierecht aan betrokkene te vergoeden.
Appellante heeft er in haar beroepschrift op gewezen dat uit de adressering van het WTOS-bericht en de 'Mijn IB-Groep'-brief niet kan worden afgeleid dat betrokkene in het kader van de Wsf 2000 de wijziging van haar woonadres aan de IB-Groep heeft doorgegeven, aangezien zulke berichten en brieven naar het GBA-adres worden verzonden.
Deze grief treft doel. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen onder meer in zijn in het beroepschrift genoemde uitspraak van 7 april 2006, LJN: AW2510 ontslaat de omstandigheid dat appellante over adresgegevens uit de GBA beschikt studerenden niet van de op hen ingevolge de Wsf 2000 rustende verplichting om eigenstandig en bijtijds wijzigingen in hun woonadres aan de IB-Groep door te geven. Betrokkene had kunnen en moeten reageren op de brief van 14 januari 2006.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroep moet alsnog ongegrond worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
TM