ECLI:NL:CRVB:2007:BB9265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-102 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAJONG-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAJONG-uitkering per 2 december 2004, omdat het UWV hem als minder dan 25% arbeidsongeschikt beoordeelde. De rechtbank Zwolle oordeelde eerder dat deze intrekking terecht was en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.

De Raad overwoog dat het onderzoek door verzekeringsarts S. Ytsma in september 2004 zorgvuldig en volledig was. Ytsma constateerde alleen een beperkte gevoeligheid voor gassen en dampen door hooikoorts en astma, zonder andere ziektegerelateerde beperkingen. Appellant voerde geen overtuigend bewijs aan tegen deze bevindingen en zijn suggestie van onzorgvuldigheid of opzettelijke misleiding door het UWV werd verworpen.

Verder wees de Raad het verzoek af om een onafhankelijk deskundigenonderzoek. Ondanks het wegvallen van twee functies vanwege kleurenblindheid, bleven er voldoende medisch geschikte functies over. Het inkomen van appellant werd gesteld op het wettelijk minimumloon. De Raad vond geen reden om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigde de intrekking van de uitkering.

Uitkomst: De intrekking van de WAJONG-uitkering per 2 december 2004 wordt bevestigd omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

06/102 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 2 december 2005, 05/329 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roza. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.D. Mak.
II. OVERWEGINGEN
In geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of het Uwv terecht de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) van appellant met ingang van 2 december 2004 heeft ingetrokken, omdat het Uwv appellant met ingang van die datum voor minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van die wet acht.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig uiteengezet waarom zowel de gang van zaken rond de intrekking van de uitkering als de grond waarop de intrekking heeft plaatsgevonden de toets van de rechtbank hebben kunnen doorstaan.
In hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om over de aan het begin van deze rubriek gestelde vraag anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
Wat betreft de gang van zaken rond de door appellant gestelde schending van de hoorplicht, komt de Raad tot geen andere beschouwingen dan de rechtbank.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in januari 1999 door de verzekeringsarts W.A. Hupkes is onderzocht. Die verzekeringsarts heeft zijn bevindingen weergegeven in een rapport van 7 januari 1999. Hij oordeelde het toen noodzakelijk appellant te beperken in verband met rugklachten waardoor er onvoldoende functies konden worden geselecteerd.
Daarom bleef appellant ook vanaf januari 1999 op arbeidskundige gronden een uitkering ingevolge de WAJONG naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontvangen.
In september 2004 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts S. Ytsma. Zijn bevindingen zijn weergegeven in een rapport van 9 september 2004. Behalve een gevoeligheid voor gassen en dampen als gevolg van hooikoorts en astma, waarop hij appellant heeft beperkt, heeft Ytsma bij appellant geen andere op ziekte of gebrek berustende beperkingen kunnen vaststellen. Ytsma merkt in zijn rapport onder meer op dat niet blijkt dat appellant voor de door hem aangegeven klachten wordt behandeld of dat appellant daarvoor medicatie gebruikt en dat appellant al jaren als huisman functioneert. Op basis van de door Ytsma aangegeven beperking konden in 2004 wel functies worden geselecteerd
De Raad is van oordeel dat uit het rapport van Ytsma niet blijkt dat zijn onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Appellant heeft ook niets aangevoerd wat voor die stelling steun zou kunnen bieden.
Appellants bewering dat hij al jaren door dezelfde arts van het Uwv zou zijn onderzocht en dat onbegrijpelijk is waarom diezelfde arts hem eerst niet en thans wel goedkeurt, is in strijd met de gang van zaken, zoals hiervoor weergegeven. Dat het Uwv opzettelijk verschillende namen van artsen zou vermelden op de hiervoor genoemde rapporten, zoals appellant ter zitting heeft gesuggereerd, is een ongemotiveerde stelling waaraan de Raad voorbij zal gaan.
De Raad acht zich door hetgeen uit de gedingstukken blijkt over appellants gezondheidstoestand op de datum in geding voldoende voorgelicht. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige appellant te laten onderzoeken wijst de Raad daarom af.
Ten slotte is ook de Raad van oordeel dat bij verwerping van twee functies vanwege de kleurenblindheid van appellant er voldoende in medisch opzicht geschikte functies overblijven om de schatting te kunnen dragen. Hierbij wordt aangetekend dat het maatmaninkomen van appellant het wettelijk minimumloon is.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
JL