ECLI:NL:CRVB:2007:BB9272

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7368 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van verlaging WAO-uitkering na juiste arbeidskundige beoordeling

Appellante maakte bezwaar tegen de verlaging van haar WAO-uitkering door het UWV van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Maastricht vernietigde het eerdere besluit vanwege onvoldoende motivering en beval een nieuw besluit.

Het UWV verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond en stelde dat de geselecteerde functies passend waren bij de belastbaarheid van appellante. De rechtbank oordeelde dat de arbeidskundige beoordeling voldoende was onderbouwd en dat appellante in staat was de functies te vervullen.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij werd gewezen op het memo van de bezwaararbeidsdeskundige en het ontbreken van redenen om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de verlaging van de uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/7368 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 november 2005, 2005/1313 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft vervolgens stukken van medische en arbeidskundige aard ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellante is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 16 augustus 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 september 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
In haar uitspraak van 2 februari 2005, 04/213, heeft de rechtbank Maastricht het tegen het besluit van 5 januari 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Zij heeft het Uwv opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen. Voorts heeft de rechtbank bepalingen nopens de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. Uit de uitspraak blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank appellantes klachten door het Uwv niet zijn onderschat en dat terecht een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld, waarin voldoende rekening is gehouden met appellantes psychische en lichamelijke beperkingen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er, voor wat betreft het arbeidskundige aspect van de schatting, sprake is van een tegenstrijdigheid in de motivering van het besluit op bezwaar, in verband waarmede bezwaarlijk kan worden gesproken van een kenbare en inzichtelijke motivering, zodat dat besluit vanwege strijd met het motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking diende te worden gebracht.
Hierop heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2005 (verder: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2003 wederom ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat, uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde functionele mogelijkheden, welke volgens de rechtbank niet meer ter discussie staat, de rechtbank met het Uwv van oordeel is dat appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. Met de vermelde functies in het rapport van 15 februari 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald liggen volgens de rechtbank aan de onderhavige schatting voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen ten grondslag. Voor zover er in de voorgehouden functies ogenschijnlijk afwijkingen van die functiebelasting voorkomen overweegt de rechtbank dat door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 15 november 2004 reeds voldoende is c.q. was onderbouwd dan wel toegelicht waarom de bedoelde functies voor appellante geschikt zijn.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit nog altijd onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd en een juiste arbeidskundige grondslag ontbeert. Volgens appellante hadden de geselecteerde functies niet aan haar mogen worden voorgehouden.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.
De Raad, zich in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de geduide functies niet berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante. De juistheid van het oordeel van de rechtbank wordt naar het oordeel van de Raad onderstreept door de inhoud van het memo van 10 augustus 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
JL