ECLI:NL:CRVB:2007:BB9345

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/3131 AW, 07/2843 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • K.J. Kraan
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbArt. 97 ARAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op overgangsregeling Functioneel Leeftijdsontslag voor belastingdienstmedewerker

Betrokkene, sinds 1999 werkzaam als rechercheur bij de Belastingdienst, verzocht om toepassing van de overgangsregeling Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) voor substantieel bezwarende functies. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen, waarna betrokkene beroep instelde bij de rechtbank Utrecht die het beroep gegrond verklaarde.

De Staatssecretaris van Financiën ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat betrokkene niet in een substantieel bezwarende functie bij het ministerie van Economische Zaken had gewerkt, maar rechtstreeks bij de Belastingdienst was aangesteld. De Raad oordeelde echter dat betrokkene wel degelijk een substantieel bezwarende functie vervulde, gelijk aan die van de voormalige Economische Controledienst, en dat het overgangsrecht ook voor hem geldt.

De Raad verwierp het argument dat het overgangsrecht alleen geldt voor ambtenaren die bij de Economische Controledienst werkzaam waren en bevestigde dat het nieuwe besluit van 29 augustus 2006 het bezwaar van betrokkene volledig tegemoetkomt. Tevens veroordeelde de Raad appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene recht heeft op de overgangsregeling Functioneel Leeftijdsontslag en veroordeelt appellant in de proceskosten.

Uitspraak

06/3131 AW en 07/2843 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 april 2006, 05/1287, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene]
en
appellant
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 29 augustus 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema, werkzaam bij de Belastingdienst. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.L. van der Geest, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Betrokkene is bij besluit van 30 augustus 1999 met ingang van 1 september 1999 door appellant aangesteld bij de Belastingdienst in de functie van rechercheur bij de [afdeling].
1.2. Bij brief van 11 februari 2004 heeft betrokkene verzocht om hem deel te laten nemen in de overgangsregeling die is toegepast op medewerkers die een functie bekleden waarop de regeling Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) van toepassing was. Bij dit verzoek heeft betrokkene erop gewezen dat hij vanaf 1 september 1999 werkzaam was in een functie die was aangemerkt als substantieel bezwarend volgens categorie A als bedoeld in artikel 97, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en dat hij voordien vanaf 1 april 1977 bij de politieregio Utrecht werkzaam was geweest in een FLO-gerechtigde functie.
1.3. Bij besluit van 27 mei 2004 is dit verzoek afgewezen. Nadat betrokkene daartegen bezwaar had gemaakt, is hangende de bezwaarprocedure op 11 januari 2005 een gewijzigd besluit genomen. Bij het besluit van 21 april 2005 is het aldus gewijzigde besluit in bezwaar gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat betrokkene op 30 juni 2003, afkomstig van de ECD, een substantieel bezwarende functie vervulde en dat om die reden op betrokkene het Besluit overgangsrecht FLO-functies van toepassing is.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat dit oordeel onjuist is, omdat betrokkene niet werkzaam is geweest in een substantieel bezwarende functie bij het ministerie van Economische Zaken, maar rechtstreeks per 1 januari 1999 is aangesteld in vaste dienst bij het ministerie van Financiën.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad ziet geen reden om het, niet in hoger beroep door appellant bestreden, oordeel van de rechtbank dat een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 april 2005 gerechtvaardigd is en niet afstuit op het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan te tasten.
4.2. Zoals door appellant ter zitting desgevraagd is erkend, vervulde betrokkene in de periode van 1 januari 2000 tot 1 juli 2003 een substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a., ten eerste, van het op artikel 97, tweede lid, van het ARAR stoelende Besluit aanmerking substantieel bezwarende functies, gepubliceerd in de Staatscourant van 21 januari 2000, nr. 15 (hierna: Besluit). Betrokkene was in die periode immers bij de Belastingdienst/ECD belast met hetzelfde complex van werk-zaamheden, dat tot 1 september 1999 voorkwam bij de voormalige hoofdafdeling Internationaal Economische Recherche van de ECD bij het ministerie van Economische Zaken. Dat betrokkene deze werkzaamheden nooit heeft verricht bij het ministerie van Economische Zaken, omdat hij op dezelfde datum dat de ECD van dat ministerie overging naar de Belastingdienst, 1 september 1999, rechtstreeks voor het verrichten van deze werkzaamheden bij de Belastingdienst is aangesteld, doet hier in geen enkel opzicht aan af.
4.3. Bij Besluit van 12 mei 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gepubliceerd in Staatscourant van 19 mei 2003, nr. 95, is het hiervoor in 4.2. genoemde onderdeel a. van artikel 1 van Pro het Besluit, met ingang van 1 juli 2003 geschrapt. Vanaf dat tijdstip vervulde betrokkene derhalve geen substantieel bezwarende functie meer. Uit de toelichting bij dit besluit blijkt echter dat de ambtenaar die is aangesteld in een functie, waarvan de aanmerking als substantieel bezwarende functie is opgeheven, in aanmerking komt voor gebruik van het Besluit overgangsrecht FLO-functies (Staatsblad 1999, 492). Artikel 4 van Pro dit Besluit brengt, onder meer, met zich mee dat aan die ambtenaar, indien hij op 1 januari 2000 jonger is dan 55 jaar, afhankelijk van het aantal jaren dat hij een dergelijke functie vervuld heeft, een aantal maanden eerder ontslag wordt verleend dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
4.4. Appellant beroept zich op de slotzin van deze toelichting waarin het volgende staat: “Het overgangsrecht is van toepassing op de ambtenaren afkomstig van de Economische Controledienst van het Ministerie van Economische Zaken die op 30 juni 2003 een functie als hiervoor bedoeld vervullen”.
4.5. De Raad volgt appellant hierin niet. Noch uit het Wijzigingsbesluit van 12 mei 2003, noch uit enig ander voorschrift blijkt dat de voordelen van het overgangsrecht niet zouden toevallen aan alle ambtenaren die door de werking van dit Wijzigingsbesluit een einde zien komen aan het vervullen van hun substantieel bezwarende functie. De Raad ziet ook geen ratio voor het binnen de groep ambtenaren, die tot 1 juli 2003 eenzelfde substantieel bezwarende functie vervulden, maken van een onderscheid tussen enerzijds de ambtenaren die die functie reeds bij de ECD van het ministerie van Economische Zaken vervulden en anderzijds die ambtenaren die later diezelfde functie bij de Belastingdienst zijn gaan vervullen. De tekst waarmee in de desbetreffende zin aan het slot van de toelichting naar de eerstgenoemde groep wordt verwezen, sluit de toepasselijkheid van het overgangsrecht op de laatstgenoemde groep ook niet uit. De Raad kan aan die zin dan ook niet die betekenis hechten, die appellant daaraan verbonden ziet.
5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door appellant genomen nieuwe besluit van 29 augustus 2006 komt geheel aan het bezwaar van betrokkene tegemoet. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich daarom niet op de voet van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot dit besluit.
7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
HD