AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging eervol ontslag wegens ongeschiktheid door financiële wanorde en kentekenregistraties
Appellante was administratief medewerkster bij de gemeente Almere en had tientallen kentekens van motorvoertuigen op haar naam laten registreren, waardoor haar partner zijn autohandel kon voortzetten. Ondanks waarschuwingen en toezeggingen om dit te beëindigen, bleef de situatie bestaan, wat leidde tot loonbeslagen vanwege achterstallige belastingen en boetes.
Het college van burgemeester en wethouders legde aanvankelijk een ontslag op staande voet op wegens ernstig plichtsverzuim, maar herzag dit en verleende eervol ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat appellante bewust had meegewerkt aan de onjuiste tenaamstellingen, wat een gebrek aan de vereiste eigenschappen voor haar functie weerspiegelde. Hoewel zij zich inspande om de situatie te verbeteren, was er geen verbetering in haar financiële wanorde, wat vooral problematisch was gezien haar functie bij de Dienst Sociale Zaken.
De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid tot ontslag kon besluiten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het eervol ontslag van appellante wegens ongeschiktheid wordt bevestigd.
Uitspraak
06/4658 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 juli 2006, 06/213 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: college)
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Dammers, [F.] en [W.], allen werkzaam bij de gemeente Almere.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster bezwaar en beroep bij de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere. In mei 2003 is zij door de Belastingdienst benaderd omdat was gebleken dat een groot aantal kentekens van motorvoertuigen op haar naam stond geregistreerd. Zij heeft toen uitgelegd dat haar partner in auto's handelde en deze op haar naam had laten zetten. Ook heeft zij beloofd aan deze situatie een einde te zullen maken. In de loop der tijd is de gemeente geconfronteerd met een reeks van loonbeslagen ten laste van appellante, onder meer vanwege achterstallige motorrijtuigen-belasting voor de op haar naam gestelde auto's en boetes voor daarmee begane over-tredingen. Over deze schuldenproblematiek zijn gesprekken met appellante gevoerd, eerst door de personeelsafdeling en in juni 2004 ook door haar leidinggevende. Aan de reeks van loonbeslagen is echter geen einde gekomen. In februari/maart 2005 is gebleken dat de naam van appellante bij het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting voorkomt op de lijst van zogenoemde katvangers. Een katvanger is iemand die toestaat dat auto's van anderen op zijn naam worden geregistreerd, waardoor de werkelijke eigenaren/houders van deze auto's zich aan hun verplichtingen kunnen onttrekken.
1.2. Bij besluit van 22 juni 2005 heeft het college appellante met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door ten onrechte kentekens op haar naam te laten registreren en dat zij bij herhaling aanleiding heeft gegeven tot toepassing van maatregelen van inhouding, beslag of korting.
1.3. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2006 heeft het college, na bezwaar, het strafontslag herroepen en appellante met ingang van 24 juni 2005 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Aan dit besluit zijn dezelfde feiten ten grondslag gelegd als aan het strafontslag.
1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. De gedingstukken laten zien dat appellante eraan heeft meegewerkt dat vele tientallen auto's in het kentekenregister op haar naam zijn gezet, teneinde haar partner in staat te stellen zijn autohandel te blijven uitoefenen. Daargelaten of appellante wist dat het om zwarte inkomsten ging, zij was er in ieder geval van op de hoogte dat deze tenaamstellingen waren bedoeld om geldende regels te omzeilen. Zij heeft immers zelf aangegeven dat haar partner in verband met belastingschulden een “blokkade” had om kentekens op zijn naam te zetten.
2.2. Niet ten onrechte heeft het college dit opgevat als een aanwijzing voor het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die zijn vereist om een ambtelijke functie op goede wijze te vervullen. Of appellante kan worden aangemerkt als een katvanger in de gebruikelijke zin van het woord en of haar handelwijze strafrechtelijk bezien valsheid in geschrift oplevert, kan daarbij in het midden blijven.
2.3. Gebleken is echter tevens dat appellante, nadat zij in mei 2003 door de Belasting-dienst op het onjuiste van haar gedrag was gewezen, serieus heeft geprobeerd de auto's van haar naam te krijgen. Dat zij daarin niet in alle gevallen is geslaagd, moet worden toegeschreven aan omstandigheden buiten haar macht. Had zij in 2002 nog 57 auto's op haar naam, in 2003 was dit aantal gedaald tot 24 en in 2004 tot vier. Appellante heeft dan ook zodanige inspanningen verricht om zich te verbeteren dat de onjuiste tenaamstel-lingen in 2005 geen grond meer konden opleveren voor ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie.
2.4. Anders ligt dit wat betreft de reeks van loonbeslagen. Daarbij neemt de Raad het volgende in aanmerking.
2.5. Naar het college onweersproken heeft gesteld, is sprake van 31 schuldeisers met een totaal aan vorderingen van ongeveer € 40.000,-. Alleen in het jaar 2005, tot aan de ontslagdatum, zijn al vijf loonbeslagen gelegd. Daarbij ging het niet uitsluitend om achterstallige boetes en motorrijtuigenbelasting, maar ook om vorderingen van een postorderbedrijf en een bank. De enkele stelling van appellante dat zij met haar schuldeisers regelingen voor afbetaling had getroffen, doch dat de afbetalingen steeds werden doorkruist door beslagen in verband met de op haar naam staande auto's, kan niet worden aangemerkt als een bevredigende verklaring voor de wanorde waarin haar financiën jarenlang hebben verkeerd en ten tijde van het ontslag nog steeds verkeerden. Met recht heeft het college ook hierin een aanwijzing gezien voor het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor een goede vervulling van de functie zijn vereist. Dit klemt temeer nu juist de Dienst Sociale Zaken regelmatig te maken krijgt met burgers die hun leven financieel niet op orde hebben.
2.6. Van verbetering in dit opzicht is niet gebleken. Aannemelijk is geworden dat in de gesprekken met de personeelsafdeling en met de leidinggevende is getracht appellante te motiveren en te ondersteunen bij het regelen van haar financiën, doch dat appellante daarbij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en verstrekte aanwijzingen naast zich heeft neergelegd.
2.7. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.