AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Centrale Raad van Beroep bevestigt ontslag wegens ernstig plichtsverzuim ondanks verzachtende omstandigheden
Betrokkene was sinds 1979 in dienst bij de Emco-groep en bekleedde een leidinggevende functie. Na een eerdere disciplinaire maatregel wegens ongeoorloofde afwezigheid op 21 juni 2004, waarbij een voorwaardelijke schorsing en ontslag werden opgelegd, was betrokkene opnieuw zonder verlof afwezig op 26 juli en 2 augustus 2004. Hij gaf hiervoor onjuiste verklaringen.
De werkgever verleende daarop ongevraagd ontslag wegens ernstig plichtsverzuim. De rechtbank oordeelde dat het ontslag niet evenredig was vanwege de beperkte aard van het plichtsverzuim en de psychodiagnostische rapporten die een labiele toestand en impulsief handelen van betrokkene aangaven.
De Centrale Raad van Beroep stelde in hoger beroep vast dat betrokkene herhaaldelijk was aangesproken op zijn nalatigheid en dat hij als leidinggevende een voorbeeldfunctie had. Het ontslag was passend gelet op de ernst en herhaling van het plichtsverzuim en de onwaarheid in de verklaringen. De Raad verwierp de verzachtende omstandigheden en vernietigde het eerdere vonnis en het besluit van 22 augustus 2006, waarmee het ontslag werd gehandhaafd op een andere grondslag.
Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
06/3123 AW + 06/5853 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het Dagelijks Bestuur van de Emco-groep (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 april 2006, 05/880 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene]
en
appellant
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Appellant is verschenen, vertegenwoordigd door [H.] en [v.d. S.], beiden werkzaam bij de Emco-groep, bijgestaan door mr. G.W. Brouwer, advocaat te Groningen. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.
1.1. Betrokkene is sinds 1979 werkzaam voor de Emco-groep en haar rechtsvoorgangsters, laatstelijk als opzichter/werkleider. Bij besluit van 5 juli 2004 zijn betrokkene wegens ernstig plichtsverzuim bestaande uit ongeoorloofde afwezigheid op 21 juni 2004 de disciplinaire straffen opgelegd van schorsing voor één week zonder behoud van loon en ontslag, onder de bepaling dat dit niet ten uitvoer zal worden gelegd indien betrokkene zich gedurende een periode van één jaar niet schuldig maakt aan het vergrijp of andere vormen van plichtsverzuim. Tevens zijn naar aanleiding van dat voorval concrete afspraken gemaakt met betrokkene over zijn werktijden en het aanvragen en opnemen van verlof.
1.2. Op 26 juli 2004 heeft betrokkene zonder tevoren een verlofaanvraag te hebben ingediend een afspraak voor die middag met een collega afgezegd vanwege een afspraak met een medisch specialist van het Scheper Ziekenhuis te Emmen en in verband daarmee de dienst omstreeks 15.00 uur verlaten. Op 2 augustus 2004 heeft betrokkene eveneens zonder eerdere verlofaanvraag, om dezelfde reden een afspraak met een collega afgezegd en de dienst wederom omstreeks 15.00 uur verlaten. Appellant heeft contact opgenomen met het ziekenhuis waaruit hem is gebleken dat betrokkene op voormelde dagen geen afspraken had gemaakt in het ziekenhuis, hetgeen door betrokkene nadien is erkend.
1.3. Appellant heeft de afwezigheid van betrokkene op de werkplek op 26 juli en 2 augustus 2004 en de omstandigheid dat daarvoor door hem niet op waarheid berustende verklaringen zijn gegeven aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en heeft hem op grond daarvan bij besluit van 27 augustus 2004 bij wijze van disciplinaire straf ongevraagd ontslag verleend met ingang van 1 september 2004. Bij besluit van 8 juli 2005 heeft appellant het door betrokkene tegen het besluit van 5 juli 2004 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 27 augustus 2004 gehandhaafd, onder ongegrondverklaring van het door betrokkene daartegen gemaakte bezwaar.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het tegen het besluit van 5 juli 2004 gemaakte bezwaar. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de bij het gehandhaafde besluit van 27 augustus 2004 aan betrokkene verweten gedragingen ernstig plichtsverzuim opleveren. De rechtbank heeft echter de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag daaraan niet evenredig geacht nu het plichtsverzuim is gebaseerd op slechts twee momenten van ongeoorloofde afwezigheid en uit de psychodiagnostische onderzoeksrapporten van drs. Vlek en drs. Kraaijenbrink blijkt van verzachtende omstandigheden, bestaande uit de labiele toestand van betrokkene en zijn daaruit voortvloeiende neiging tot impulsief handelen.
3. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag niet evenredig is aan het door haar vastgestelde plichtsverzuim. Volgens appellant ziet de rechtbank eraan voorbij dat de ernst van het plichtsverzuim niet slechts moet worden beoordeeld op basis van de ongeoorloofde afwezigheid van betrokkene op 26 juli en 2 augustus 2004. Appellant betoogt dat het plichtsverzuim moet worden geplaatst tegen een bredere achtergrond.
Onder meer is van belang dat betrokkene meermaals is aangesproken op zijn geregelde afwezigheid en daarvoor eerder disciplinair is bestraft. De rechtbank heeft volgens appellant bovendien ten onrechte verzachtende omstandigheden aanwezig geacht, nu uit de vermelde rapporten van drs. Vlek en drs. Kraaijenbrink niet blijkt dat betrokkene ten aanzien van dat plichtsverzuim geen verwijt kan worden gemaakt en deze evenmin aannemelijk maken dat hij op genoemde momenten impulsief heeft gehandeld.
3.1. Appellant heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, bij besluit van 22 augustus 2006 opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene. Appellant heeft daarbij het ontslag gehandhaafd, doch dit ontslag gebaseerd op de ongeschiktheid van betrokkene voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekte of gebreken.
4. De Raad stelt voorop dat het hoger beroep zich slechts richt op de vraag of de aan betrokkene oplegde disciplinaire straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan het door de rechtbank vastgestelde plichtsverzuim. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.
4.1. Op grond van de gedingstukken is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat betrokkene na zijn re-integratie in januari 2004 door zijn leidinggevenden regelmatig is aangesproken op zijn nalatige functioneren als leidinggevende, waarbij ook zijn geregelde onvindbaarheid en afwezigheid op de werkplek ter sprake zijn gebracht. In een hem toegezonden verslag van een gesprek met zijn leidinggevende op 30 januari 2004 zijn afspraken op schrift gesteld over het afmelden voor een overleg en het opnemen van verlof. Naar aanleiding van de ongeoorloofde afwezigheid op 21 juni 2004 zijn die afspraken herhaald en zijn tevens afspraken gemaakt over de werktijden. Die afspraken kwamen er op neer dat door betrokkene van 7.30 uur tot 16.00 uur wordt gewerkt, dat verlof twee dagen van tevoren dient te worden aangevraagd en dat verlof slechts kan worden opgenomen indien het verzoek daartoe door de naast hogere leidinggevende is ingewilligd.
4.2. Zeker nadat betrokkene in verband met afwezigheid op 21 juni 2004 disciplinair was bestraft met voorwaardelijk ontslag behoorde het hem volstrekt duidelijk te zijn dat verdere ongeoorloofde afwezigheid door appellant niet zou worden getolereerd. Niettemin is betrokkene zeer kort nadien tot twee maal toe ongeoorloofd afwezig geweest. Mede gelet op dit doorgaande gedrag alsook de omstandigheid dat betrokkene een leidinggevende functie bekleedde en daarmee, zoals appellant terecht stelt, een voorbeeldfunctie dient te vervullen voor zijn ondergeschikten, kan niet worden volgehouden dat de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag onevenredig is in verhouding tot het eraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim. Dat geldt temeer nu betrokkene voor zijn afwezigheid op beide dagen een niet op waarheid berustende verklaring heeft gegeven waarin hij aanvankelijk heeft volhard.
4.3. De voormelde rapporten van drs. Vlek en drs. Kraaijenbrink leiden de Raad niet tot het oordeel dat dit plichtsverzuim niet of in onvoldoende mate aan betrokkene kan worden toegerekend. De in het rapport van drs. Vlek vermelde aanname dat de bege-leiding na re-integratie in januari 2004 tekort is geschoten, berust enkel op een anamnese van betrokkene en vindt geen bevestiging in de gedingstukken. Uit gespreksverslagen blijkt dat in die periode zeer geregeld met betrokkene is gesproken, waarbij hem bij het verrichten van zijn werkzaamheden ondersteuning is geboden. Daarbij is door betrokkene niet aangegeven dat het werk hem zwaar viel. De Raad acht niet aannemelijk dat de afwezigheid van betrokkene op 26 juli en 2 augustus 2004 moet worden toegeschreven aan zijn neiging tot impulsief handelen, waarvan in meerbedoelde rapporten sprake is, nu betrokkene reeds in de ochtenden van die dagen afspraken met een collega heeft afgezegd in verband met de door hem gestelde bezoeken aan een specialist in het ziekenhuis op diezelfde dagen in de middag.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd en het door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroep moet ongegrond worden verklaard. Dit brengt mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 22 augustus 2006, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond;
Vernietigt het besluit van 22 augustus 2006.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.