ECLI:NL:CRVB:2007:BB9536

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6010 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering bijstand en aflossingsverplichting

Appellant ontving een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin zijn bijstand over de periode van juli 2003 tot oktober 2004 werd ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van €13.918, met een aflossingsregeling van 60 termijnen. Appellant reageerde met een brief waarin hij mogelijk beroep aankondigde en om uitstel van betaling vroeg, gericht aan de afdeling Terugvordering en Verhaal.

Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen bezwaarschrift was en het latere bezwaarschrift te laat werd ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde zich gemotiveerd op tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank.

De Raad stelde vast dat de brief niet gericht was aan het bevoegde College en geen bezwaar inhield tegen de aflossingsverplichting, maar slechts een verzoek om uitstel van betaling. Hierdoor faalde het hoger beroep en werd de aangevallen uitspraak bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

06/6010 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2006, 05/4785 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2007. Appellant is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 25 juli 2005 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 14 juli 2003 tot en met 31 oktober 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.918,-- van appellant teruggevorderd. Voorts is in dat besluit bepaald dat appellant genoemd bedrag met ingang van 1 augustus 2005 in 60 maandelijkse termijnen van € 231,97 moet aflossen. Daaraan is toegevoegd dat appellant, indien hij van mening mocht zijn de opgelegde betaalverplichting niet te kunnen nakomen, binnen drie weken schriftelijk contact dient op te nemen met Handhaving, afdeling Terugvordering en Verhaal. Tenslotte is in dat besluit vermeld dat appellant, indien hij zich niet met dit besluit kan verenigen, daartegen binnen zes weken schriftelijk bezwaar kan indienen bij Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Bij brief van 2 augustus 2005, gericht aan Handhaving, afdeling Terugvordering en Verhaal, heeft appellant op het besluit van 25 juli 2005 gereageerd met de mededeling dat hij daartegen mogelijk, na raadpleging van zijn advocaat, in beroep zal gaan. Voorts heeft hij aangegeven op geen enkele wijze aan het betalingsvoorstel te kunnen voldoen en heeft hij verzocht om hem uitstel van betaling te verlenen.
Op 12 september 2005 heeft mr. Velthorst, verwijzend naar de brief van appellant van 2 augustus 2005 en dit aanduidend als een bezwaarschrift, zich als gemachtigde van appellant gesteld en het College verzocht hem een termijn van vier weken te geven om de gronden en motivering van het bezwaar aan te vullen.
Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van het College is de brief van 2 augustus 2005 van appellant geen bezwaarschrift, terwijl het bezwaarschrift van 12 september 2005 te laat is ingediend en er geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad is met de rechtbank op de door deze aangegeven gronden, waarnaar hij verwijst en die hij onderschrijft, van oordeel dat de brief van 2 augustus 2005 geen bezwaarschrift is tegen het besluit van 25 juli 2005 tot intrekking en terugvordering van bijstand.
Ook de in hoger beroep geponeerde stelling dat in de brief van 2 augustus 2005 bezwaar wordt gemaakt tegen de in het besluit van 25 augustus 2005 neergelegde aflossingsverplichting, wordt verworpen. De brief is niet gericht aan het College van Burgemeester en Wethouders maar aan Handhaving, afdeling Terugvordering en Verhaal, houdt de mededeling in dat appellant niet kan voldoen aan de aflossingsverplichting en het verzoek om hem om uitstel van betaling te verlenen. Een bezwaar tegen de opgelegde aflossingsverplichting bevat de brief niet.
Gelet op het voorgaande faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) S.R. Bagga.
EK