ECLI:NL:CRVB:2007:BB9544

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1474 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen en geschiktheid geselecteerde functies

Appellant, werkzaam als buschauffeur, viel in juli 2003 uit wegens klachten aan de linker lichaamshelft, pijn aan het hart en moeheid. Het UWV weigerde vanaf juli 2004 een WAO-uitkering toe te kennen op basis van rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die concludeerden dat appellant belastbaar is voor werk binnen de beperkingen van de Functionele MogelijkhedenLijst (FML).

Appellant stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt is en betwijfelde de juistheid van de medische onderbouwing, mede vanwege onverklaarde pijnklachten en depressieve klachten. De Raad concludeerde echter dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld, dat er geen ernstige psychiatrische stoornis was die tot forse beperkingen zou leiden, en dat de geselecteerde functies passend waren.

De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een extra deskundige en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens juiste vaststelling van medische beperkingen en geschiktheid van geselecteerde functies.

Uitspraak

06/1474 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2006, 05/1208 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was vanaf begin 2002 werkzaam als buschauffeur. Vanuit deze functie is hij op 21 juli 2003 uitgevallen in verband met klachten aan de linker lichaamshelft, pijn aan het hart en moeheid. Bij besluit van 2 december 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 18 juli 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. Aan dit besluit ligt de rapportage van 21 september 2004 van de verzekeringsarts ten grondslag, waarin is geconcludeerd dat appellant belastbaar is voor werk waarin rekening wordt gehouden met zijn beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele MogelijkhedenLijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 22 november 2004 geconcludeerd dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden geacht.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 20 april 2005 overwogen geen reden gezien af te wijken van de conclusies van de verzekeringsarts, behoudens dat zij appellant niet in staat acht tot het verrichten van wisseldiensten waarbij nachtdiensten voorkomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML op het betreffende onderdeel aangepast. Bij besluit van 21 april 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2004 ongegrond verklaard. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 31 oktober 2005 een toelichting gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies waartoe appellant in staat wordt geacht.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen en heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank juist geacht.
Appellant heeft gesteld dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de medische onderbouwing door de (bezwaar)verzekeringsartsen. Gesteld is dat de inschakeling van een medisch deskundige nodig is in verband met zijn onverklaarde pijnklachten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij aan depressieve klachten lijdt.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Inschakeling van een deskundige acht het Uwv niet nodig, aangezien bij meerdere onderzoeken van medisch specialisten geen ernstige beperkingen aan het licht zijn gekomen.
De Raad overweegt dat door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd is aangegeven dat een situatie van “geen benutbare mogelijkheden” niet aan de orde is. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor aanvaarding van het standpunt van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht.
Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de inlichtingen van de huisarts, de neuroloog en de internist in zijn beschouwing betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat nachtdiensten die voorkomen bij wisseldiensten vermeden moeten worden. Voor het overige heeft zij geen aanleiding gezien meer beperkingen voor het verrichten van arbeid aan te nemen dan op de FML is vermeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook de psychische klachten van appellant beoordeeld. Geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis die noodzaakt tot het stellen van forse beperkingen op de FML. De Raad ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat de medische beperkingen van appellant door het Uwv juist zijn vastgesteld. Voor het inschakelen van een deskundige bestaat naar het oordeel van de Raad geen aanleiding.
Naar het oordeel van de Raad is geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van een toereikende motivering voorzien.
Niet is gebleken dat de functies in medisch opzicht ongeschikt voor appellant zouden zijn.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
GdJ