ECLI:NL:CRVB:2007:BB9546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na ontslag wegens benadelingshandeling in Ziektewet
Appellante was sinds 21 februari 2000 werkzaam als schoonmaakster/voorwerkster bij haar werkgever en meldde zich op 13 augustus 2003 ziek. Op 15 augustus 2003 werd zij op staande voet ontslagen wegens het verrichten van werkzaamheden bij een andere onderneming ondanks haar ziekmelding. Appellante stelde dat het ontslag nietig was en vorderde loon, maar de kantonrechter wees dit af op 6 oktober 2003.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde vervolgens op 25 november 2004 de ziekengelduitkering over de periode 15 augustus 2003 tot 11 augustus 2004, omdat appellante door haar eigen handelen het ontslag had veroorzaakt, wat een benadelingshandeling is in de zin van artikel 45 Ziektewet Pro. Het bezwaar tegen deze weigering werd op 12 juli 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond bevestigde dit oordeel en stelde dat appellante ten onrechte had ingestemd met de beëindiging van haar dienstbetrekking doordat zij geen bodemprocedure had aangespannen om herstel of loondoorbetaling te vorderen. De Raad onderschreef dit oordeel en oordeelde dat appellante geen beletsel had om een bodemprocedure te starten, ook al had de kantonrechter geen voorlopige voorziening getroffen.
De Raad achtte de benadelingshandeling bewezen en wees op de gevolgen van het niet nakomen van de verplichtingen volgens het Maatregelenbesluit Tica, wat leidt tot het geheel onthouden van de uitkering voor de periode dat aanspraak op loon had kunnen worden gemaakt. Matiging van de maatregel was niet aan de orde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens benadelingshandeling door het niet starten van een bodemprocedure na ontslag.