AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en stuiting verjaring
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 18 november 1993 tot 1 december 1998. Het Uwv had een bedrag van € 28.259,89 teruggevorderd na correctie van de oorspronkelijke terugvordering.
Appellant voerde aan dat de terugvordering niet op een juiste wettelijke grondslag berustte en dat de verjaringstermijn van vijf jaar was overschreden, omdat de eerste terugvorderingshandeling pas plaatsvond na de primaire besluiten van juli 1999. Tevens stelde appellant dat hij pas op 9 september 2004 daadwerkelijk bekend was geworden met belangrijke wijzigingen in de besluiten, waardoor de termijn zou zijn verstreken.
De Raad overwoog dat terugvordering slechts kan plaatsvinden na een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit, maar dat de verjaringstermijn al eerder kan worden gestuit door een eerste terugvorderingshandeling. Deze eerste handeling werd door de Raad aangemerkt als de brief van het Uwv van 18 november 1998. De stelling van appellant dat alleen een besluit tot stuiting kan leiden, werd verworpen.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de terugvordering terecht is en dat de verjaringstermijn door de brief van 18 november 1998 is gestuit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en oordeelt dat de verjaringstermijn is gestuit door een eerste terugvorderingshandeling.
Uitspraak
06/2212 + 06/4672 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 9 maart 2006, 05/4100 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 23 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.M. van Lieshout, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, terwijl voor het Uwv is verschenen mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen derhalve voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Uit die uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, citeert de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Bij besluit van 27 mei 2004 heeft verweerder vastgesteld dat van eiser wordt teruggevorderd € 34.182,08 wegens over de periode 1 november 1992 tot 1 december 1998 onverschuldigd betaalde uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO).
Bij besluit van 3 februari 2005 heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard in die zin dat genoemde periode wordt gewijzigd in 18 november 1993 tot 1 december 1998 en genoemd bedrag in € 28.259,89 en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.”
en
“De rechtbank begrijpt het beroep aldus, dat eiser primair doet aanvoeren dat de terugvordering niet berust op een juiste wettelijke grondslag en dat verweerder zich ook niet aan de voor terugvordering geldende termijnen heeft gehouden.
De rechtbank kan eiser daarin niet volgen. Zoals hiervoor is gesteld volgt reeds uit het in rechte vaststaande besluit van 22 januari 2001 dat verweerder onverschuldigd uitkering heeft betaald. Ingevolge artikel 57 vanPro de WAO is verweerder bevoegd (tot
1 augustus 1996) dan wel verplicht (vanaf 1 augustus 1996) om onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Voor de rechtbank staat voldoende vast dat door toedoen van eiser onverschuldigd is betaald. Verweerder heeft dan ook op goede gronden teruggevorderd.
(…)
De verjaringstermijn van 5 jaar van de terugvorderingsbevoegdheid, dan wel -plicht van verweerder wordt gestuit door een zogenoemde eerste terugvorderingshandeling, die de vorm dient te hebben van een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling dat tot terugvordering zal worden overgegaan. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat als zodanig is aan te merken verweerders brief van 18 november 1998. Nu verweerder de aanvang van de terugvordering bij het onderhavige besluit op 18 november 1993 heeft gesteld, is aan bedoelde 5 jaar-termijn voldaan.”
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd “dat de primaire besluiten van 20, 22 en 23 juli 1999 als peildatum gehanteerd dienen te worden voor de verjaringstermijn van 5 jaar van de terugvorderingsbevoegdheid.” In die besluiten is de herziening van de uitkering -met terugwerkende kracht- vastgesteld.
“Appellant meent voorts dat besluiten in het algemeen eerst een werking verkrijgen wanneer de geadresseerde burger bekend is geworden met dat besluit.” In dat verband is volgens appellants gemachtigde van belang dat appellant eerst op 9 september 2004 bekend is geworden met belangrijke wijzigingen op onderdelen van voornoemde primaire besluiten. Eerdere ontvangst van de beslissing op bezwaar van 22 januari 2001, waarin die wijzigingen in genoemde primaire besluiten zijn neergelegd, wordt zijdens appellant namelijk ontkend.
Appellants gemachtigde vervolgt: “Appellant meent dan ook dat nu hij werkelijk en juridisch eerst op 9 september 2004 bekend is geworden met belangrijke wijzigingen op onderdelen van het voornoemde primaire besluit, welke bij brief van 18 november 1998 zijdens het Uwv is aangekondigd, de bedoelde termijn ruimschoots is overschreden en mitsdien uitvoering aan dit besluit de juridische grondslag ontbeert.”
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan appellant volgen voor zover hij bedoeld heeft te betogen dat een terugvordering slechts kan worden geëffectueerd nadat een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit van die strekking is afgegeven. Dat neemt echter niet weg dat verjaring van de vordering tot terugbetaling van ten onrechte verstrekte uitkering al eerder kan worden gestuit. Voorafgaand aan het nemen van een besluit ter zake van een terugvordering zal het Uwv immers enige tijd nodig hebben om grondig onderzoek te verrichten om vast te stellen of, en zo ja: hoeveel, er moet worden teruggevorderd.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat als eerste terugvorderingshandeling is aan te merken de brief van het Uwv van 18 november 1998.
De stelling van appellant dat een eerste terugvorderingshandeling slechts gelegen kan zijn in een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie inzake terugvordering en de figuur van de eerste terugvorderings-handeling, dan ook niet onderschrijven.
De Raad ziet het hoger beroep mitsdien niet slagen en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2007.