ECLI:NL:CRVB:2007:BB9550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en stuiting verjaring
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 18 november 1993 tot 1 december 1998. Het Uwv had een bedrag van € 28.259,89 teruggevorderd na correctie van de oorspronkelijke terugvordering.
Appellant voerde aan dat de terugvordering niet op een juiste wettelijke grondslag berustte en dat de verjaringstermijn van vijf jaar was overschreden, omdat de eerste terugvorderingshandeling pas plaatsvond na de primaire besluiten van juli 1999. Tevens stelde appellant dat hij pas op 9 september 2004 daadwerkelijk bekend was geworden met belangrijke wijzigingen in de besluiten, waardoor de termijn zou zijn verstreken.
De Raad overwoog dat terugvordering slechts kan plaatsvinden na een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit, maar dat de verjaringstermijn al eerder kan worden gestuit door een eerste terugvorderingshandeling. Deze eerste handeling werd door de Raad aangemerkt als de brief van het Uwv van 18 november 1998. De stelling van appellant dat alleen een besluit tot stuiting kan leiden, werd verworpen.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de terugvordering terecht is en dat de verjaringstermijn door de brief van 18 november 1998 is gestuit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en oordeelt dat de verjaringstermijn is gestuit door een eerste terugvorderingshandeling.