AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant voerde samen met [R.] een gezamenlijke huishouding, hetgeen niet was gemeld aan het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen. Hierdoor werd de bijstandsuitkering van [R.] ingetrokken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2005. Het College vorderde terugbetaling van de bijstandskosten van appellant wegens de gezamenlijke huishouding en de schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en wees het beroep tegen het besluit af. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet werk en bijstand.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellant, afgelegd tegenover een sociaal rechercheur en ondertekend, rechtsgeldig was en dat geen sprake was van druk of dwang. De omstandigheden en motieven van de huishouding waren niet relevant voor de beoordeling. Het College was bevoegd om de kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 84.120,50.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad wegens schending of verkeerde toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van kosten bevestigd.
Uitspraak
06/6705 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2006, 06/2939 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 oktober 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
[R.] (hierna: [R.]) ontving sedert 1 november 1979 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 2 mei 2005 is de bijstand van [R.] over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2005 ingetrokken op de grond dat zij heeft nagelaten aan het College te melden dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant.
Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het College de ten behoeve van [R.] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot 1 maart 2005 met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellant teruggevorderd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 juli 2005 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2005 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 juli 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 60, eerste lid, van de WWB vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van die uitspraak.
Bij besluit van 13 april 2006 heeft het College, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2005, beslist dat de ten behoeve van [R.] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot 1 maart 2005 met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB tot een bedrag van € 84.120,50 mede van appellant worden teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 april 2006 ingediende beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichting als bedoeld in artikel 17 vanPro de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen, als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Voor de vaststelling dat in het onderhavige geval appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [R.] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 vanPro respectievelijk de Algemene bijstandswet (Awb) en de WWB heeft gevoerd.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Awb en de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant en [R.] in de in dit geding van belang zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van evengenoemde bepalingen.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Hij verenigt zich geheel met het oordeel van de rechtbank dienaangaande en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. Terecht heeft de rechtbank in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding gezien af te wijken van de vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellant zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. De Raad gaat hierbij uit van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, waaruit blijkt dat de door appellant afgelegde verklaringen aan hem zijn voorgelezen en vervolgens door hem zijn ondertekend. Ook blijkt uit de processen-verbaal dat appellant destijds geen klachten had over de wijze waarop hij is gehoord.
Dat de aanwezigheid van appellant in de woning van [R.] zou zijn ingegeven door de gezondheidssituatie van [R.], leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn niet van belang voor de beantwoording van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is.
Gelet op het voorgaande moet met de rechtbank worden geoordeeld dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [R.]. Nu [R.] hiervan geen melding heeft gedaan bij het College heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Awb respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden, zodat het College met toepassing van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd was de kosten van bijstand tot een bedrag van € 84.120,50 mede van appellant terug te vorderen.
Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad in zijn uitspraak van 9 augustus 2007 (LJNBB1509) redelijk geachte, beleid besloten tot - volledige - terugvordering van appellant. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) S.R. Bagga.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.