ECLI:NL:CRVB:2007:BB9560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische en arbeidskundige grondslag WAO-uitkering en wijziging mate arbeidsongeschiktheid
Betrokkene meldde zich in oktober 2003 ziek wegens rugklachten en psychische problemen en vroeg een WAO-uitkering aan. Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 15-25% vastgesteld. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna een herbeoordeling volgde die leidde tot een wijziging naar 25-35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit vanwege onvoldoende medische motivering en onvoldoende onderbouwing van de arbeidskundige beoordeling. De Raad van bestuur van het UWV stelde vervolgens het bezwaarbesluit vast met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene handhaafde haar standpunt dat zij medisch gezien niet in staat was de voorgestelde functies te verrichten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is uitgevoerd door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, waarbij ook gegevens van het Riagg en de huisarts zijn betrokken. De arbeidskundige beoordeling is eveneens voldoende onderbouwd. De Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank over de medische motivering, bevestigt het overige oordeel en verklaart het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de wijziging van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid en verklaart het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.