tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 oktober 2006, 05/5138 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 november 2007
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Huisman, werkzaam bij de gemeente Barneveld.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sinds 23 september 1976 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
Sinds 13 november 1981 woo[M.] (hierna: [M.]) bij haar in en staat ook in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van appellante. Bij de verlening van bijstand aan appellante is rekening gehouden met de inwoning van [M.]. Hij is aangemerkt als kostganger.
Naar aanleiding van een heronderzoek is bij het College het vermoeden gerezen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [M.] in de woning van appellante. De Afdeling Werk, Zorg en Inkomen heeft hiernaar een nader onderzoek ingesteld waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapportage van 21 maart 2005. Vervolgens heeft het Team Sociale Recherche van de gemeente Apeldoorn op verzoek van het College eveneens een onderzoek ingesteld waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 23 september 2005.
Bij besluit van 11 maart 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2004 geblokkeerd.
Bij besluit van 21 maart 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 13 november 1981 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 december 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 53.925,81 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard en beslist dat er in ieder geval vanaf 1 juli 1998 sprake is van een verzwegen gezamenlijke huishouding en dat de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 1 juli 1998 tot 1 december 2004 tot een bedrag van € 46.229,32 wordt teruggevorderd. Het College heeft daartoe overwogen dat appellante en [M.] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat zij op grond van een in 2001 en 2004 verkregen (voorlopige) teruggave van de Belastingdienst voor de minstverdienende partner aldaar als gezamenlijke huishouding zijn geregistreerd. Daarnaast dragen zij in ieder geval vanaf 1 juli 1998 wederzijdse zorg voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Door hiervan geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden
Bij besluit van 19 juni 2006 heeft het College het besluit van 27 oktober 2005 in die zin gewijzigd dat de bijstand met ingang van 1 januari 2001 wordt ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2001 tot 1 december 2004 verleende bijstand tot een bedrag van € 24.789,54 van appellante wordt teruggevorderd. Het besluit van 27 oktober 2005 wordt voor het overige gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 19 juni 2006 aangemerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling moet worden betrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 juni 2006 ongegrond verklaard met een beslissing inzake het griffierecht.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 januari 2001 tot en met 21 maart 2005.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid.
Niet in geschil is dat appellante en [M.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante te Barneveld.
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding wegens een in aanmerking te nemen registratie is het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de WWB in samenhang met het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, Stb. 1997, 790 (hierna: het Besluit) van belang. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt als registratie onder meer aangewezen de registratie als gezamenlijke huishouding op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante in 2001 en 2004 een teruggave van de Belastingdienst heeft ontvangen wegens de aanvraag minstverdienende partner zodat appellante en [M.] derhalve bij de Belastingdienst geregistreerd staan als partner. Gelet hierop staat voor de Raad vast dat ten tijde hier van belang ten aanzien van appellante en [M.] sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit.
Het voorgaande betekent dat appellante ten tijde in geding, op grond van deze registratie in samenhang met het hoofdverblijf van beiden in dezelfde woning, voor de toepassing van de WWB met [M.] een gezamenlijke huishouding voert, zodat zij als gehuwd moet worden aangemerkt. Appellante kon om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht meer op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Nu appellante hiervan geen melding heeft gedaan bij het College heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Awb respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden, zodat het College met toepassing van het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 1 januari 2001 tot en met 21 maart 2005. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College na afweging van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Ten overvloede merkt de Raad op dat ook anderszins is gebleken dat voldoende elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn, op grond waarvan er, ten tijde in geding, sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB.
Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend.
Het College voert blijkens de Beleidsregels terugvordering en verhaal van de gemeente Barneveld de beleidsregel dat als er gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om een besluit te herzien of in te trekken de verstrekte bijstand wordt teruggevorderd. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn ten tijde van het besluit van 19 juni 2006 geldende beleidsregel heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 8:84 (slot) van de Awb, in afwijking van de beleidsregel geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.