ECLI:NL:CRVB:2007:BB9563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en toerekening winst bij intrekking WAO-uitkering wegens werkzaamheden
Appellant, voormalig bedrijfsleider in een horecabedrijf, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een onderzoek van het UWV bleek dat hij vanaf 1992 werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn echtgenote, zonder dit te melden. Hierdoor werd zijn uitkering geschorst en later ingetrokken, met terugvordering van onverschuldigde betalingen.
De rechtbank bevestigde het standpunt van het UWV dat appellant substantieel werkzaam was, waarbij 70% van de winst aan hem werd toegerekend. Appellant voerde aan dat hij minder uren werkte en dat de toerekening onjuist was, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel vanwege eerdere mededelingen over het einde van zijn arbeidsleven.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de eerdere mededelingen geen gerechtvaardigde verwachting schepten dat loonvormende werkzaamheden geen gevolgen zouden hebben voor de uitkering. De Raad achtte de verklaringen van getuigen en appellant zelf overtuigend en concludeerde dat appellant gemiddeld 38 uur per week werkte. De toerekening van 70% van de winst aan appellant werd als bedrijfseconomisch reëel beoordeeld.
Het beroep tegen het terugbetalingsbesluit werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De terugvordering en betalingsregeling zijn in overeenstemming met de wettelijke voorschriften.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugbetalingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.