ECLI:NL:CRVB:2007:BB9596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-procedure
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV over de intrekking van haar WAO-uitkering. Tijdens het hoger beroep trok zij dit in, nadat het UWV haar uitkering alsnog voortzette met een arbeidsongeschiktheid van 80-100% per 2 maart 2007.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek van appellante tot vergoeding van materiële en immateriële schade, proceskosten en griffierecht. De Raad oordeelde dat het UWV aansprakelijk is voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de procedure ruim zes jaar en zes maanden duurde, waarvan ruim 15 maanden voor rekening van het bestuursorgaan kwamen.
De Raad stelde de immateriële schadevergoeding vast op €500 en de proceskosten op €966. Vergoeding van fiscale schade werd niet toegekend vanwege onvoldoende specificatie. Vergoeding voor overige immateriële schade wegens spanning en frustratie werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat sprake was van een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro.
De Raad veroordeelde het UWV tevens tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 november 2007.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €500 immateriële schadevergoeding, €966 proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering wegens overschrijding van de redelijke termijn.